Aan de borreltafel

Een van de mannen waaruit ik besta zei bij de namiddagborrel: “Dit is nu een depressie. Vannacht waren de vrezen zonder tal, denkend aan de dood kon ik niet slapen en ik kromp van angst voor mijn toekomstig lijden. Kortom, ik had Marsman, Bloem en Van Vriesland kunnen citeren wanneer ik daar vief genoeg voor was geweest.”

“Wat was er dan?”, vroegen wij bezorgd.

“Een te zware deken”, zei hij, “nachtmerrie na nachtmerrie. Ik kon me niet bewegen, ik kon niet ademen, ik schaamde me omdat ik mijn vrouw zoveel overlast zou bezorgen.”

Wij lachten.

“Lach niet”, zei hij. “Ik stond weliswaar op maar ik wist dat ik voorbij was. Ik las krant, weekblad, boek, en schreide, hoor je het goed. In de gedichten van Nijhoff en Herman van den Bergh werd geschreid, en ik schreide, de enige Nederlander die het nog deed.”

“Mijn jongen”, zeiden wij, “waarom dan toch?”

Hij zei: “Die columns van genadeloze satire, die reisreportages waarin de verslaggever uur na uur zijn leven op het spel zet, die romans van duizenden bladzijden.”

“Je hebt helemaal geen depressie”, zeiden wij, “je bent een rancuneuze oude man.”

“Een nitwit, een onbenul, een luiaard, een mislukkeling”, zei hij, “en nog voorbij ook.”

Een ander zei, bedachtzaam drinkend: “Dat het zover moest komen. Toen we jong waren bewonderden we oude mensen, en nu we oud zijn doen we dat niet meer. We hadden in enige periode van ons leven achting voor onszelf moeten hebben. Een zekere beleefdheid, zover hebben we het gebracht.

Een derde zei: “Een rotleven. Ja, het was een rotleven. Wanneer we het naar onze zin hadden citeerden we Van Vriesland: Is dit geluk, dan ligt pijn vlak daarneven.”

Een vierde zei: “Je geeft een manische beschrijving van je depressie. Dat schreien is tot daaraantoe. Die bewondering voor krant, weekblad, boek is onmogelijk. Je begreep niet wat je las, je zat zowat te suffen.”

“Ik voelde me nietswaardig”, zei de man die het gesprek was begonnen, “vreselijk, en een lichaam dat nergens plezier in had. Ouderdom is nog erger dan jeugd.”

“En de jaren van volwassenheid”, zei de derde spreker, “die lange jaren van mislukking en teleurstelling, op het noodlot meegenomen van de sombere planeet, om Roland Holst te citeren.”

De tweede man zei: “En zo ellendig als we in elkaar zitten, zo helemaal vals en verkeerd. Ik gooi er Baudelaire tegen aan: Ah! Seigneur! Donnez-moi la force et le courage de contempler mon coeur et mon corps sans dégoût.”

“En ik Heine”, zei de derde, “Das Leben is nicht gut, der Tod ist besser, am besten wäre nie geboren sein. Dat heeft hij van Prediker, is het niet.”

Eindelijk was het zover dat we ons lachen niet konden bedwingen en vrolijk door elkaar heen praatten en zongen, als in baldadiger jaren. Leoncavallo: “Lach dan Paljasso, poets je tanden met Brasso.” Liszt: “De gravin van Everdingen, die zat op de stoep te zingen: bloemkool, geef mij maar bloemkool.” Op dezelfde deun: “Laat 'm maar es bovekommen, 'k slaat 'm op z'n godverdomme.”

“Flauw is heerlijk”, zeiden wij en veegden de tranen van onze wangen. “Leve de slappe lach.”

De eerste zei: “Het beste ware niet geboren zijn. Ik kom er niet uit. Het is misschien zo maar je kunt je er niets bij voorstellen. Je wéét dat je er bij toeval bent. Het voelt anders. Het voelt alsof de schepping bedoeld is om jou tot leven te brengen. Nóg niet geboren zijn. Dat is wat. Triljoenen jaren wachten tot je geboren wordt. Dat spreekt me aan.”

“Schenk nog eens in”, zeiden wij. “Wij zijn geen intellectuelen.”

“Met doodzijn hetzelfde”, zei hij. “We kunnen ons niet voorstellen dat we dood zijn. Het is ons niet gegeven. Het is toch gek? Dat we nooit zullen weten dat we dood zijn? Ik vind dat gek. Ik kan daar wakker om liggen.”

“Onder een te dikke deken”, zeiden wij.

Hij zei: “Nee. Dat was niet eens doodangst. Dat was ziekte of angst voor ziekte.”

“Zo gaat het niet”, zeiden wij. “Er zijn onderwerpen zat. We lezen A.F.Th. van der Heijden en J.J. Voskuil, met belangstelling en bewondering, we kunnen het hebben over boze Belgen, Bolkestein, brood van de bisschop, we kunnen Schubert zingen al kunnen we niet zingen, we...”

“Nee, zo gaat het niet”, zei hij. “Het was te erg vannacht. Jongens, ik weet hoe het moet. Je ligt machteloos maar ontspannen op je sterfbed en je ziet de Dood binnenkomen. Een slanke, slordige, hautaine man. Om zijn rechter wijsvinger draait hij een kettinkje met een zandloper eraan of het autosleuteltjes zijn. Hij sloft vriendelijk naar je toe en zegt: Daar ben ik dan weer. Na heel wat jaren. Het heeft al met al vrij lang geduurd. Je hebt je toch niet verveeld, hoop ik?”