Veel cultuurpessimisme over het kind

De publieke omroepen vertonen de laatste tijd vrij veel documentaires van soms heel behoorlijke kwaliteit, maar er wordt ook nogal eens lichtzinnig met het genre omgesprongen.

Zo is de AVRO momenteel bezig met de uitzending van een achtdelige serie over het kind. De woensdagavond begint met Einde kind, waarin de kinderen zelf aan het woord komen, en eindigt met Het einde van het kind? waarin de opvoeders hun visie mogen geven. De serie, waarvan nu vier delen zijn uitgezonden, is gemaakt door Ireen van Ditshuyzen, winnares van de Nipkowschijf.

“Een spraakmakend programma”, hoorde ik het gisteren door de AVRO noemen. Ik kan het me, eerlijk gezegd, nauwelijks voorstellen. Want waarover zou je moeten praten als je het gezien hebt? Ik heb zelden zo'n structuurloze baaierd van kreten en meningen voor mijn kiezen gekregen, na afloop voelde ik alleen maar een lichte wanhoop: waar gáát dit in vredesnaam over?

Als ik heel voorzichtig een conclusie mag distilleren: kinderen verliezen tegenwoordig vroeger hun kinderlijkheid. Of zoals een kleuterleidster het zei: “Ze hebben echt alles, maar ze krijgen niet de tijd om te rijpen, ze worden snel volwassen.”

Dat is een uitspraak waarover een discussie mogelijk is. Zo stelde Maarten Huygen onlangs in een artikel ('Vroeger rijp, later volwassen') in deze krant over tieners juist vast dat er van 'schijnvolwassenheid' sprake is: de adolescentieperiode wordt verlengd.

Een discussie daarover komt binnen dit programma echter niet van de grond, omdat de maker ons aan de lopende band doodgooit met sweeping statements. Zo spreekt professor M. de Winter weer van “de meest eigenwijze generatie kinderen die er ooit geweest is”; hij wijst op gezinnen waarin het kind “de baas is”. Bij dergelijke uitspraken - de serie staat er bol van - heb ik sterk de indruk dat het om onbruikbare generalisaties gaat, filosofietjes van de koude, pedagogische grond. Ook in deze serie zijn ouders te zien die wel degelijk de baas blijven over hun kind en het in een bepaalde discipline proberen op te voeden.

Programma's als deze geven voeding alleen al de titels! - aan een soort cultuurpessimisme over het kind, dat niet wordt waargemaakt. “De tv speelt de rol van opvoeder”, zegt een prof, “door de tv raken ze eerder (alweer!) hun kinderlijkheid kwijt.” Een echtpaar klaagt over de computerspelletjes waaraan hun kind verslaafd is: “Die speeltjes zijn voor hem een manier om ons uit te zetten.” Alsof er vroeger geen stripboeken (en gewone boeken) waren waarmee je als kind hetzelfde kon bereiken.

Uiteraard is er het een en ander veranderd in de relatie tussen kind en ouders, maar het gaat hier om een diffuus, gecompliceerd proces dat je niet in kaart kunt brengen door alleen maar een bonte, incoherente stoet van opvoeders en kinderen aan het woord te laten. Om een indruk te geven, zet ik nu even een aantal uitspraken uit de laatste aflevering op een rij.

Een marktonderzoeker: “Kinderen hebben zelfs invloed op de aankoop van een auto.”

Een kleuterleidster: “Een kind wint vaak als het gaat om het maken van plannen.”

Joost Prinsen: “Zijn kinderen wel anders dan in 1972? Ze hebben dezelfde problemen: ben ik lelijk?”

Een onderwijzer: “Kinderen zijn gelijkwaardige partners voor ouders geworden, ze krijgen zoveel informatie.”

Een psycholoog: “Kinderen die vanuit school meteen achter de computer gaan, zijn sociaal arm.”

Als die psycholoog gelijk heeft, kun je je afvragen of de computerfreaks onder de kinderen - en dat zijn er heel wat - wel zo gelijkwaardig zijn aan hun ouders. Maar misschien heeft deze psycholoog, net zoals al die andere sprekers, maar een heel klein beetje gelijk. De makke van de documentaire is dat een samenhangende visie op al die 'kleine beetjes' ontbreekt. De kijker blijft daardoor met lege handen achter.