Veel belangstelling voor veiling door nazi's geroofde kunstwerken; Tragiek onder charitatieve mantel

In Wenen wordt door de nazi's geroofde kunst geveild, waarvan de eigenaren onvindbaar waren. “De traagheid waarmee Oostenrijk deze zaak heeft afgewikkeld is moeilijk te verteren”.

MAK, Stubenring 5, Wenen. Kijkdagen t/m 28/10. Veiling 29 en 30/10, vanaf 10.30u. Inl. 00-431-533 8812.

WENEN, 24 OKT. In Wenen zal volgende week een weinig roemrijk hoofdstuk van de Oostenrijkse geschiedenis worden afgesloten. Door de nazi's in Oostenrijk geroofde kunstwerken zullen in het Weense Museum für angewandte Kunst (MAK) publiekelijk worden verkocht. Het Engelse veilinghuis Christie's heeft deze verkoop op non-profit basis georganiseerd. De opbrengst van de 'Mauerbach-collectie', genoemd naar het klooster waarin de werken jarenlang lagen opgeslagen, gaat naar slachtoffers van de holocaust.

Woordvoerster Julia Hobsbawm van Christie's vertelt trots: “Het is de dikste catalogus die wij ooit hebben samengesteld: 406 pagina's. De oplage is 20.000.” Het veilinghuis werd overspoeld met aanvragen uit de hele wereld. De opbrengst wordt op 3,5 miljoen dollar geschat. In totaal zullen er meer dan 8.000 stukken worden geveild: tekeningen, schilderijen, tapijten, vloerkleden, meubels, boeken, porselein, wapens en munten. De materiële waarde van de objecten loopt sterk uiteen, de emotionele waarde is in alle gevallen hoog. Edgar Bronfman, samen met Ronald Lauder voorzitter van het comité dat de opbrengst zal verdelen, benadrukt de historische waarde van de kunstwerken. “Het is kunst waarmee de Oostenrijkse joden leefden en waardoor ze werden geïnspireerd. Het zijn de laatste resten van een verdwenen cultuur.”

Behalve veel onbekende en ongeïdentificeerde schilders zijn er ook een aantal beroemde namen te vinden. Sterk vertegenwoordigd zijn 19de-eeuwse schilders. Van de fin-de-siècle schilder Hans Makart is onder meer een doek voor het plafond van de bibliotheek van het Dumba-paleis in Wenen aanwezig. Er zijn enkele oude meesters bij, zoals Abraham Mignon en Abraham Brueghel, en tekeningen van Giovanni Domenico Tiepolo. Het enige abstracte en tevens kostbaarste stuk van de collectie is Carafe van Alexander Archipenko, geschat op 61 tot 93.000 dollar. Onduidelijk is hoe dit doek bewaard is gebleven, want abstracte kunst voldeed niet aan de normen van de nazi's en werd verbrand, of, als het heel waardevol was, verkocht.

De Mauerbach-collectie werd in 1955 door de geallieerden aan Oostenrijk overgedragen met de uitdrukkelijke opdracht de oorspronkelijke eigenaars of hun erfgenamen op te sporen en het geroofde goed terug te geven. Een moeilijke opgave: het was een 'collectie zonder geschiedenis', zonder aanknopingspunt waar, wanneer en van wie de kunstwerken waren gestolen. Bovendien hadden de geallieerden al veel moeite gedaan de rechtmatige bezitters op te sporen en zo'n 10.000 objecten teruggegeven.

De wijze waarop Oostenrijk zich van zijn taak heeft gekweten is typerend voor de moeizame en ambivalente omgang met het eigen verleden. Bovendien toont de gang van zaken een verbijsterende ongevoeligheid ten opzicht van de slachtoffers van de holocaust. Onmiddellijk na de Anschluss werd het hele joodse bezit in Oostenrijk geïnventariseerd en daarna geconfisqueerd. De nazi's waren om uiteenlopende redenen in culturele voorwerpen geïnteresseerd: Hitler was op zoek naar schilderijen voor het door hem geplande museum in Linz, Göring was zelf verzamelaar, de SS-Ahnenerbe-groep wilde met behulp van archeologische objecten de superioriteit van de germanen bewijzen en Rosenberg had joodse literatuur voor zijn antisemitisch onderzoeksinstituut nodig.

Oostenrijk heeft de kunstwerken in de kelders van het 14de-eeuws kartuizer klooster Mauerbach bij Wenen opgeslagen en het min of meer daarbij gelaten. Van een actief opsporingsbeleid is geen sprake geweest. Eigenaars of erfgenamen die claims indienden werden vaak zelfs onheus behandeld. Simon Wiesenthal werd in 1965 door de gedupeerden te hulp geroepen. Zijn activiteiten werden niet toegejuicht door de Oostenrijkse bureaucratie maar leidden in 1969 uiteindelijk tot een wet. Daarin werd vastgelegd dat tot december 1972 claims ingediend konden worden. Er werd een inventarisatie gemaakt en in de staatscourant gepubliceerd. Aangezien er verder geen publiciteit aan werd gegeven, bleven de reacties beperkt. Weer werd, wat intussen de schat van Mauerbach werd genoemd, vergeten.

In 1984 verscheen in het Amerikaanse ART-news een 22 pagina's lang artikel waarin enkele schrijnende gevallen, zoals bijvoorbeeld de behandeling die Alma Mahler-Werfel ten deel viel, werden beschreven. Mahler-Werfel had in 1937 vijf schilderijen, een Munch, een Kokoschka en drie Schindlers, aan de Österreichische Galerie uitgeleend. In 1938 vluchtte ze naar Parijs. Tot aan haar dood in 1967 heeft ze tevergeefs geprobeerd haar eigendommen terug te krijgen. Ze kreeg wel 50.000 Schilling (8.000 gulden) van de regering aangeboden, 'vanwege de band die Oostenrijk met haar en haar man Franz Werfel voelde'. In 1985 bepaalde het parlement dat alsnog claims ingediend konden worden en wel van 1 februari tot 1 oktober 1986. Er werden 3.282 claims ingediend, de rechter kende 350 objecten aan 190 eigenaars toe.

De schat van Mauerbach bleef waar hij was tot in 1994 opnieuw een verslaggeefster van ART-news in Wenen arriveerde. Een ambtenaar van het ministerie van financiën vertelde toen dat Oostenrijk van plan was de kunstvoorwerpen te veilen. Dit is een zeer gevoelige en emotionele kwestie 'voor de joodse bevolking', legde hij uit en gaf daarmee - onbedoeld - de Oostenrijkse houding exact weer: de hele zaak is een joods probleem.

Paul Grosz, de voorzitter van de joodse gemeenschap, kijkt met gemengde gevoelens op de afwikkeling terug. Aan de ene kant vindt hij de oplossing acceptabel. De opbrengst van de veiling gaat voor 88 procent naar hulpbehoevende slachtoffers van de nazi's, 12 procent naar organisaties van verzetsstrijders. Aan de andere kant vindt hij het bitter dat de joodse gemeenschap pas in 1994 erbij werd betrokken en toen ook alleen maar omdat de Oostenrijkse regering zich wilde indekken tegen buitenlandse kritiek. “De tijd die Oostenrijk genomen heeft om deze zaak af te wikkelen, de enorme weerstand die ermee gepaard ging, zijn moeilijk te verteren. En zonder inmenging van buitenaf was het misschien nog niet geregeld.” Grosz heeft er ook moeite mee hoe Oostenrijk het probleem van de Wiedergutmachung omzeilt. Nog steeds verschuilt men zich achter het eigen slachtofferschap en spreekt daarom van 'hulp aan joodse overlevenden'. Christie's heeft deze terminologie overgenomen: “Een historische gebeurtenis om de slachtoffers van de holocaust te helpen” staat op de persinformatie. De roof, het feit dat door de trage afwikkeling slachtoffers zijn overleden voor zij hun eigendommen terug kregen, de hele tragiek verdwijnt onder een charitatieve mantel.