Struikgewas verbergt veel

Zijn dierenpaartjes trouw aan elkaar? Nou, nee. Eigenlijk leven ze als beesten. Uitgezonderd vogels. Soms.

KORTE INHOUD VAN het voorafgaande. Lang, lang geleden begonnen meercellige dieren met seksuele voortplanting, in plaats van zich zomaar te delen. Doorsnee geslachtscellen werden gaandeweg op twee verschillende strategieën toegesneden: investeren in de kwantiteit van paringen of juist het selectiever investeren in de kwaliteit van het resultaat en het leveren van grondstoffen voor het produkt.

De leverancier van de eerste, kleine en naarstig zoekende geslachtscellen werd wat arbitrair mannetje genoemd, de andere strateeg vrouwtje. De twee gingen uit elkaar om elkaar steeds weer op te zoeken. Een werkelijk permanente verbinding tussen die twee volgde pas weer veel later: het huwelijk. Maar niet pas bij de mens. Het monogame huwelijk werd al eerder uitgevonden en fervent toegepast. Het daarmee onlosmakelijk verbonden overspel ook.

Bij zoogdieren is monogamie zeldzaam. Die geloven vaker in losse paarverbanden en polygamie. Niettemin zijn er wel enkele zoogdieren die een versie van huwelijk en eeuwige trouw hanteren. Gibbons bijvoorbeeld. Niet zomaar apen, maar mensapen, die in ware hoeksteen-gezinnetjes in het Aziatische oerwoud huizen. Andere soorten in het korte rijtje monogame zoogdieren zijn sommige Zuidamerikaanse klauwaapjes, waarbij de vader de jongen op de rug meezeult en met tegenzin af en toe aan de moeder afstaat, bevers, een enkele zeehond en een paar landroofdieren.

Bij vogels lijkt monogamie daarentegen haast de norm. Meer dan negentig procent van de vogelsoorten heet monogaam te leven. De variatie daarbinnen is groot, van stelletjes die één broedseizoen lang trouw samenwerken tot paren die dat een leven lang doen. Hecht monogame dieren blijven soms ook buiten een voortplantingsperiode samen optrekken. Zwanen, ganzen en kraanvogels blinken uit in die vorm van trouw. Maar ook bijvoorbeeld kraaiachtigen zoals kauwen kunnen zeer aan elkaar verknocht raken.

Het al dan niet tijdelijke huwelijk heeft zich steeds moeten verweren tegen de aanzuigende werking van polygamie. Die heeft alles te maken met het verschil in investering: vrouwtjes leveren per definitie meer aan materiaal en inspanning bij het produceren van nazaten. De balans kwam nog schever te liggen doordat sommige vrouwelijke dieren zich specialiseerden in de verzorging van jongen. Voor de 'zoog'dieren geldt dat bij uitstek.

Het gevolg: met een geslaagde paring kun je als mannetje via een goedkoop pakketje spermacellen de toegewijde zorg en langdurige investering van een vrouwelijk dier winnen in jouw jongen. Dat kun je maar beter zo vaak mogelijk proberen, zo hamerde de evolutie erin. Tegelijkertijd hebben vrouwelijke dieren daardoor de luxe van een ruim aanbod. Ze hoeven niet zo maar op elke avance in te gaan, kunnen het beste van het beste kiezen. Dan kunnen verscheidene vrouwtjes kiezen voor een topdier, ofwel: voor polygamie.

Niet bij alle diersoorten is er zo'n uitgesproken verschil in de bijdrage aan de voortplanting. Bij veel vogelsoorten doen mannetje en vrouwtje vrijwel alles samen: nestbouw, broeden en verzorgen van de jongen. Dat moet ook wel. Veel vogeljongen zijn aanvankelijk kale, kwetsbare en ernstig hulpbehoevende darmzakjes. Ze vereisen veel zorg, zeker wanneer ze in de gangbare hoge aantallen per keer geleverd worden. Vogelmannetjes zijn dus toegewijde mede-opvoeders geworden. Dankzij het delen van taken als warmhouden en voedselzoeken lukt het bijvoorbeeld veel zangvogels jaarlijks diverse nesten met jongen een hachelijk leven in te schoppen.

Zo je al van een dierlijk huwelijken kunt spreken, moet je dus vooral bij vogels zijn. En zij hebben van de huwelijksplechtigheid ook werk gemaakt. Waar de paarvorming bij het gemiddelde zoogdier wat platvloers en rechtstreeks verloopt, met als voornaamste franje het inleidend duwen van koude neuzen op gevoelige plekken, putten vogels zich uit in zang en dans. Mannetjes zijn menigmaal de verleiders wat betreft het aanbieden van allerlei zaken. En de vrouwelijke dieren tonen zich ongeremd materialistisch. Boompje, huisje, beestje - en in die volgorde. Voedselgebied, nestelplaats en partner.

Ook vogels kennen uitgesproken goede en slechte huwelijken. Beide dieren moeten perfect gelijk op gaan - de een moet niet al eieren willen leggen terwijl de ander nog zit na te denken waar het nest moet komen. Door de jaren heen monogame vogelparen die helemaal op elkaar zijn ingespeeld, hebben een voortplantingssucces waar andere soortgenoten niet aan kunnen tippen. Bij zulke doorgewinterde vogelpaartjes zie je ook dat ze het met die jaarlijkse balts wel best vinden allemaal - ze kennen elkaar toch? Minder gelukkig gehuwden verbreken de band uiteindelijk, bij gebrek aan doorslaand broedsucces.

Vogelmonogamie is mooi. Het verhaal van die zwaan wiens partner door een Drentse bus tot onherkenbare pulp was gereden, is droef maar verheffend: hij vloog nog lange tijd dagelijks met iedere passerende bus op, om te kijken of ze weer te voorschijn kwam. Maar soms wordt de band minder stevig gevoeld dan men vroeger graag wilde geloven. Binnen schijnbaar aandoenlijk hecht aaneengesmede vogelparen komt de binding soms vooral van een kant. Parkeenden en vinken bijvoorbeeld, zie je in het voorjaar altijd met zijn tweeën. Maar het is alleen het mannetje dat zorgt voor samenzijn. Het vrouwtje gaat betrekkelijk eenzelvig de eigen gang, en het mannetje volgt zijn bezit. Het is namelijk niet de bedoeling dat een ander mannetje zijn zaad komt toevoegen aan dit vers bevruchte vrouwtje. Is de vruchtbare periode eenmaal over, dan is het met het ridderlijke vergezellen ook direct gedaan - daar zijn sommige vogels heel precies in.

Soms volstaat bewaking niet. Het struikgewas verbergt veel, en een paring is bij vogels zo gebeurd. De DNA-techniek staat echter voor niets. De ouderschapsbepalingen van vogeljongen of desnoods eieren zijn sluitend. Inmiddels blijkt dat veel vogels heel wat af paren buiten hun schijnbaar monogame duo. Het lijkt flauw om van overspel bij dieren te spreken, maar in feite zijn alle ingrediënten aanwezig, compleet met heimelijke uitvoering en agressie van de bedrogene bij ontdekking. Opdraaien voor de jongen van een ander mannetje is namelijk, evolutionair gezien, geen handige strategie; en vrouwtjes delen de mannelijke zorg niet graag met een bijzit in het territorium.

Pimpelmezen, in roerend hechte gezinnetjes afgebeeld op de theepotten die Vogelbescherming verkoopt, weten er bijvoorbeeld wel weg mee. De mannetjes worden op grote schaal bedrogen. Menigmaal slepen ze voedsel aan voor jongen die niet van hen zijn. Die zijn dan van een naburig, al bezet mannetje dat beter in de smaak viel bij hun vrouwtje. Een degelijke smaak, zo is gebleken. Want die verkozen mannetjes, de biologische vaders van een deel van de jongen, zijn inderdaad 'beter' - dat blijkt uit broedsuccessen en overleving van hun nakomelingen. Al met al wordt tot eenvijfde van vogeljongen van schijnbaar monogame ouders op stiekeme wijze verwekt. Men is monogaam, maar met mate.