Schuldenlast van bedrijven is opgelopen tot ruim 400 miljard dollar; Schijn bedriegt in Chinese staatssector

QINGDAO, 24 OKT. De meeste werknemers van Aucma-vriezers staan met hun handen in de zakken van hun blauwe overalls. Jonge mannen en vrouwen, allen in het begin van de twintig, staren lusteloos voor zich uit en repeteren zo nu en dan een handeling wanneer in slakkengang een vrieskist in aanbouw voorbij komt rollen.

De assemblagehal van Aucma, even buiten de Oost-Chinese havenstad Qingdao, is gloednieuw, de werkvloer nog smetteloos en verderop, strak in het karton, staan stapels vrieskisten. Maar de deuren van de expeditie van de fabriek zijn gesloten en nergens klinkt het ronken van af en aan rijdende vrachtwagens.

Toch is hier sprake van China's grootste vrieskistenfabriek. Sterker nog, als Wan Xuejun, de vice-president van Aucma, gelooft mag worden, dan behoort de staatsfabriek, met een produktie van 657.000 vriezers in het afgelopen jaar, tot het grootste bedrijf in zijn soort ter wereld. Maar daar berust precies de fout; de informatie die Wan Xuejun verstrekt, klopt niet. Een eenvoudige rekensom leert dat bij een dergelijke produktie op zijn minst één Aucma-vriezer per minuut van de band zou moeten rollen - en dat blijkt ter plaatsen in de fabriek geenszins het geval. Toch lepelt Wan, onder toeziend oog van het stadsbestuur van Qingdao, de een na de andere wereldprestatie op. Zo leed het elf jaar oude staatsbedrijf in 1990 nog 11 miljoen gulden verlies, maar nadat Wan in hetzelfde jaar het roer overnam, ging het bedrijf snel voorwaarts. Afgelopen jaar heette het dat het bedrijf een winst had gemaakt van 48 miljoen gulden, ruim 20 procent meer dan in het jaar ervoor.

“We hebben veel problemen het hoofd geboden. We hebben geleerd op onszelf te vertrouwen. Daar berust het geheim”, aldus Wan. Veel meer verklaringen voor de jaarlijkse groei van 260 procent heeft ze niet te bieden. Maar het door het bestuur van Qingdao geclaimde 'feit' dat de fabriek tot één van de succesvolste staatsbedrijven in heel China behoort, zegt voor de goede verstaander voldoende.

Want wat de afgelopen jaren meer gebruikelijk is in China, is dat staatsbedrijven in crisis verkeren. Dat blijkt ook in Qingdao het geval te zijn. Volgens Yu Zhengsheng, de partij secretaris van de havenstad, zijn de noodlijdende staatsbedrijven zijn grootste zorg. Zo is in de eerste helft van dit jaar gebleken dat bijna alle grote staatsbedrijven in Shandong, de provincie waar Qingdao deel van uit maakt, een verlies hebben geleden van 35 procent. Aucma geldt als een uitzondering, althans dat is hetgeen wat de bezoeker wordt voorgespiegeld, waarschijnlijk in de hoop toekomstige investeerders - ondanks alles - vertrouwen in te boezemen.

Feitelijk bestaat maar erg weinig aanleiding voor optimisme. Met de staatssector in China gaat het door toedoen van markthervormingen - van een geplande naar een vrije markteconomie 'met Chinese karakteristieken' - ronduit belabberd en zelfs de Chinese autoriteiten kunnen dat niet langer ontkennen. Premier Li Peng concludeerde onlangs ten overstaan van het Chinese kabinet dat het verlies dat de staatsbedrijven het afgelopen jaar hebben geleden buitenproportioneel is.

Het Chinese staatsbureau voor statistieken heeft onlangs vastgesteld dat in 1995 de staatsbedrijven een schuld hadden van 405 miljard dollar. En ook in de eerste zes maanden van dit jaar zou bijna 45 procent van China's 108.000 grote staatsbedrijven chronisch in de rode cijfers hebben geopereerd. Een extra dertig procent zou verlies hebben geleden. Volgens het bureau verloor de staatssector in dezelfde periode 5 miljard dollar - een bedrag wat door het Chinese persbureau Nieuw China is omschreven als “een dieptepunt in China's 17 jarige geschiedenis van hervormingen en opening.” Een bedrijf als dat van directeur Xie Siliang geldt daarom veel meer als een schoolvoorbeeld. De Qingdao nummer 9 staats katoen- en textielfabriek, waarvan Xie aan het hoofd staat, verkeert in grote moeilijkheden sinds het, overeenkomstig het overheidsbeleid, sanerende maatregelen heeft genomen. Het bedrijf, met een omzet van 48 miljoen gulden, genoot tot vorig jaar nog volop de bescherming van de lokale overheid in Qingdao. De staat betaalde de lonen van de drieduizend werknemers, verzorgde de pensioenen, de kinderopvang, de medische zorg en de huisvesting. De fabriek zelf werd kunstmatig overeind gehouden; zo was het verzekerd van een gegarandeerde afname van haar produkten, betrok het grondstoffen tegen een vaste prijs en was het ten tijde van crisis geoorloofd onbeperkt geld te lenen van de Chinese Volksbank.

“Eind 1995 is dat allemaal veranderd”, aldus Xie. “We hebben geen geld meer voor innovaties en zijn om die reden niet in staat te concurreren met nieuwe plattelandsindustrieën. Onze produkten worden niet langer gekocht omdat ze verouderd zijn. We beschikken over goed leiderschap, maar wat kunnen we doen zonder geld?” De katoen- en textielfabriek heeft zelfs zulke hoge leningen uitstaan bij de Chinese Volksbank dat het maandelijks 320.000 gulden aan rente dient te betalen. Nieuwe leningen mag het bedrijf op grond van een twee jaar oude beperkende kredietmaatregel niet meer afsluiten. “En dan de sociale last die op onze schouders rust - want we onderhouden naast de drieduizend werknemers ook nog eens tweeduizend gepensioneerden.”

Voorlopig functioneert de fabriek echter nog als vanouds. De 38.000 weefmachines in de bedompte fabriekshallen denderen oorverdovend voort en de arbeiders voeren, aangespoord door grote spandoeken met teksten die oproepen tot vereende inzet, dezelfde monotone handelingen uit. Hier, achter de zwartgeblakerde bakstenen muren en bij het spaarzame daglicht dat de werkvloer bereikt, lijkt weinig te zijn veranderd sinds de fabriek in 1919 door haar Duitse bazen werd opgezet.

Het zijn dergelijke omstandigheden die de Chinese overheid ervan weerhouden ingrijpende maatregelen te nemen. Want zeven van de tien Chinese industrie-arbeiders, ruim honderd miljoen mensen, werken in staatsfabrieken en het merendeel van hen is ontevreden. Effectieve oplossingen, zoals het bankroet verklaren van verlieslijdende bedrijven - hetgeen in beginsel door de Chinese regering is gepropageerd - worden het liefst niet gehanteerd omdat daaruit grote sociale onrust zou kunnen voortvloeien. In Qingdao krijgen arbeiders daarom extra hulp. “Bedrijven die verlies draaien, kunnen we niet helpen. Het enige wat we mogen doen is zijn werknemers bijstand verschaffen”, vertelt partij-secretaris Yu Zhengsheng. Van de 780.000 arbeiders die in Qingdao voor staatsbedrijven werken, zijn in de laatste twee jaar ruim 20.000 werkloos geworden. “Ze wachten op beter werk en tot die tijd voorzien wij hen van een minimum inkomen van 28 gulden per maand.” De staatsbedrijven, die ondanks hun teleurstellende prestaties nog altijd door de Chinese regering worden beschouwd als “het fundament van de nationale economie”, dienen onderwijl zelf oplossingen te vinden voor de crisis waarin ze verkeren. Volgens sommige Chinese intellectuelen wordt de voorwaartse ontwikkelingen van de staatssector tegengewerkt door slecht leiderschap. Van oudsher beschikt ieder staatsbedrijf van enige omvang over een partijbranche en dikwijls is de partijsecretaris van die branche tevens de manager van het bedrijf, wat, aldus een rapport van de Chinese academie voor sociale wetenschappen, een objectieve bedrijfsvoering uitsluit. De meeste managers echter dragen liever geen zware verantwoordelijkheden en willen de bescherming van de overheid handhaven. Dat blijkt ook in Qingdao het geval te zijn, want zowel de manager van de vrieskistenfabriek, als de directeur van de katoenfabriek, zijn secretaris van de partijbranche binnen hun bedrijf.

Staatsbedrijven hebben tevens het advies gekregen een oplossing te vinden voor het overschot aan werknemers. Het enorme leger surplus arbeiders, volgens het staatsbureau voor statistieken zijn meer dan 7 miljoen arbeiders overbodig, zouden tewerkgesteld moeten worden in de dienstenindustrie. Maar weinig staatsbedrijven weten van het bestaan van een dienstensector en zijn niet in staat alternatief werk te creëren. De meeste surplus-arbeiders belanden daarom op straat - in de eerste zes maanden van dit jaar waren dat maar liefst twee miljoen mensen.

De situatie binnen de staatssector is inmiddels dermate zorgelijk geworden dat de Chinese regering onlangs de politieke loopbaan van lokale ambtenaren afhankelijk heeft gemaakt van geleverde prestaties aangaande hervormingen binnen de staatssector. Vice-premier Wu Bangguo zei in augustus dat “wanneer lokale overheden niet in staat zijn de staatssector nieuw leven in te blazen, zij daarvoor zullen moeten boeten.”

Vandaar waarschijnlijk dat de gemeente Qingdao haar uiterste best doet de buitenwereld te tonen dat zij 's lands grootste vrieskistenfabriek - tenslotte een staatsbedrijf - binnen haar stadsgrenzen heeft gehuisvest. Daar wordt een staatsonderneming getoond waar alles aan lijkt te kloppen. Het bedrijf heeft geen schulden bij de bank, krijgt geen overheidssteun en betaalt keurig de pensioenbelasting voor haar jonge werknemers. Maar helaas klopt van de spectaculaire produktiecijfers van het bedrijf maar weinig en de geloofwaardigheid van manager Wan staat pas echt ter discussie wanneer zij zich laat ontglippen dat zij wegens haar 'innoverende prestaties' zo nu en dan een bonus van de gemeente Qingdao ontvangt. “Ik heb goed werk geleverd”, zegt ze verontschuldigend, “daarvoor word ik beloond.”