Reizen in de voetsporen van markiezin de Sévigné; Laat ons rabutineren!

Met tal van culturele manifestaties staat Frankrijk stil bij de driehonderdjarige sterfdag van Madame de Sévigné. Er zijn verscheide routes uitgezet langs plekken die de literair begaafde markiezin bezocht. Een tentoonstelling in het Parijse museum Carnavalet vormt het hoogtepunt.

'Madame de Sévigné au Musée Carnavalet' 15 okt-12 jan, van di t/m zo 10.00-17.40u (maandag gesloten). Catalogus 192 blz. 275fr.

Brochure Association 'Les Routes de Madame de Sévigné' aan te vragen: 21500 Fresnes-les-Montbard, tel 0033-1-380921887, fax 380923038

Parijs wordt opgevrolijkt met het portret van een vrouw die driehonderd jaar geleden stierf: Madame de Sévigné. Op aanplakbiljetten in de metrogangen draagt Marie de Rabutin-Chantal, de negentienjarige Madame de Sévigné, een laag uitgesneden japon met een vlammend rode sjawl om de reizigers aan te sporen een bezoek te brengen aan museum Carnavalet. Daar is tot 12 januari de tentoonstelling Madame de Sévigné te zien. Deze tentoonstelling vormt het hoogtepunt van alle culturele festiviteiten die in haar herdenkingsjaar 1996 door heel Frankrijk plaatsvinden.

Een betere locatie voor de tentoonstelling had men niet kunnen vinden. In november 1677 schreef Madame de Sévigné aan haar dochter Françoise: “Ik woon nu in het Hôtel de Carnavalet. Het is een mooi groot herenhuis en ik hoop dat ik er lang zal blijven.” Ze bleef er twintig jaar lang wonen, tot het jaar van haar dood. Het Hôtel de Carnavalet is gelegen in de Marais. Om de hoek ligt de elegante Place de Vosges. Toen dit met bomen beplante plein nog Place Royal heette, werd Marie Rabutin Chantal daar in 1626 geboren op het huidige nummer 1 bis. Madame de Sévigné, die al op zevenjarige leeftijd wees werd, bewoonde daarna nog zeven verschillende huizen in de Marais.

De fanatieke liefhebbers van haar brieven kunnen het spoor van de schrijfster volgen met behulp van een plattegrond van het zeventiende-eeuwse Parijs. In Museum Carnavalet zijn ook portretten te zien van de belangrijkste familieleden en vrienden van Madame de Sévigné. Het is een bonte mengeling van heiligen en boeven, geleerden en adellijke leeghoofden. Er is een interessant portret van haar geliefde grootmoeder van vaderszijde, Saint Jeanne de Chantal, als non. Na de opvoeding van haar kinderen en het overlijden van haar man trok zij zich terug uit de wereld. Met Saint François de Sales stichtte ze een nieuwe orde, Les Filles de la Visitation Sainte-Marie, die tientallen kloosters in Frankrijk voortbracht. Aan de religieuze beweging van haar tijd wordt in een aparte zaal aandacht besteed, net als aan de literatuur, het leven aan het hof van de Zonnekoning, medicijnen en doctoren, theater, literatuur en verslaggeving.

De schilderijen en prenten vormen voor de lezers van de beroemde brieven van Madame de Sévigné een feest der herkenning: we zien haar wijze oom Christophe de Coulanges, abt van Livry, haar losbollige zoon Charles de Sévigné en diens zuster Françoise, La plus jolie fille de France. Er hangt ook een portret van de echtgenoot van Madame de Sévigné: Henri markies de Sévigné, heer van Rochers. Het literaire leven van Madame kon pas beginnen toen hij in een duel om een minnares was gesneuveld en zij zich bevrijdde uit haar isolement op zijn kasteel Les Rochers in Bretagne. In de lente van het jaar 1653 maakte ze haar rentree in Parijs. Ze werd een welkome gast van de illustere salons van Madeleine de Scudéry, de markiezin de Rambouillet, en Madame de Lafayette. Hoewel ze door précieuses omringd werd, heeft het literaire fenomeen préciosité haar werk niet diep beïnvloed: de brieven van Madame de Sévigné blinken uit door levenswarmte en spontaniteit.

Dankzij de schrijfster, die er zelfs niet van droomde dat haar werk gepubliceerd zou worden, beschikken we over een levendige correspondente aan het hof van Lodewijk XIV. Ze doet ons verslag van diens veldtocht tegen de Lage Landen in 1672, van de opvoering van toneelstukken van Corneille en Racine, van hofbals en huwelijken, van misdaad en veroordeling en van een nieuwe haarmode à la hurluberlu. In een aantal vitrines van museum Carnavalet liggen de vele uitgaven van haar briefwisseling (een van de eerste werd gedrukt in Den Haag in 1726), die 1.373 brieven omvat waarvan er meer dan duizend gericht zijn aan haar dochter Françoise Madame de Grignan. Madame Simiane, dochter van Françoise, heeft als erfgename alle brieven van haar moeder en een groot deel van de brieven van haar grootmoeder vernietigd of verknipt. Het mag een wonder heten dat er op de tentoonstelling toch een serie originele handschriften van Madame de Sévigné te zien is.

Madame de Sévigné legde in haar leven onvoorstelbare afstanden af voor zaken, familiebezoek, om te kuren of gewoon als toeriste of journaliste. Ze reisde te paard, te voet, in karos, draagstoel of roeiboot - onder soms barre omstandigheden, maar altijd genietend. Op 17 september 1675 voer ze bij zeer lage waterstand over de Loire en schreef aan haar dochter: “...we bleven steken op tweehonderd passen afstand van onze herberg en konden eerst niet aan land komen; later zijn we teruggelopen (...), tegen middernacht kwamen we in een schamele hut aan, (...) er was absoluut niets behalve een paar oude vrouwen achter een spinnewiel en wat balen hooi, waarop we aangekleed de nacht hebben doorgebracht.” De volgende dag moest Madame de Sévigné helpen roeien om in Nantes te komen.

Uit haar natuurbeschrijvingen blijkt steeds een voorliefde voor de herfst. Vanuit Rochers schreef ze haar markante neef Roger de Rabutin, graaf van de Bussy, waarmee ze graag rabutineerde: “Ik ben hier de laatste mooie dagen komen doorbrengen om de bladeren vaarwel te zeggen. Ze zitten nu nog aan de bomen, maar ze veranderen van kleur: in plaats van groen zijn ze nu lichtgeel en daarin zijn zoveel nuances dat het soms wel prachtig goudbestikte zijde lijkt.”

Voor wie in het voetspoor van Madame de Sévigné door Frankrijk wil dwalen, is er dit jaar een brochure uitgegeven die de weg wijst naar kastelen, kerken, abdijen en ruïnes die door haar zijn bezocht. Nu de grote toeristenstroom is weggetrokken en de provincies zich in herfsttinten hullen, zijn er nog historische locaties te vinden waar de tijd van Madame de Sévigné herleeft. De brochure nodigt uit: allons rabutiner! Reis naar Bourgondië en bezoek kasteel Bussy-Rabutin, waarin neef Roger - de eerste die na haar dood een deel van haar brieven in zijn memoires publiceerde - vele herinneringen aan haar naliet. De verstilde tuinen rond het nabijgelegen kasteel Bourbilly roepen mijmeringen op over de jonge Marie Rabutin-Chantal, die hier als kersverse Madame de Sévigné haar wittebroodsweken doorbracht en er als weduwe met haar twee kinderen terugkeerde.

Ook in Bretagne, Bourbonnis en Ile de France heeft ze intensief om zich heen gekeken en ons verslag gedaan. Na Parijs vormt Grignan het hoogtepunt van de Sévigné-reis. Dit imposante 'Versailles van het zuiden', verheft zich hoog op de rotsen van de Drôme. We kunnen de zaal binnengaan die Madame de Sévigné bewoonde als ze bij haar dochter Françoise logeerde: vanuit het venster is bij helder weer in de verte de Mont Ventoux te zien en lager ligt het dorp met de twaalfde-eeuwse stadspoort en haar standbeeld op het dorpsplein. Het is een mooie wandeling van het kasteel naar de feeërieke grot in de bergen, waar ze vaak verkoeling zocht om te corresponderen. Dicht tegen het kasteel aan leunt de Église Saint-Saveur waarin Madame de Sévigné in 1696 werd begraven. De eeuwige rust heeft ze er niet gevonden: tijdens de Franse revolutie drong het gepeupel de kerk binnen, sloeg de grafzerk aan gruzelementen en verbrandde het stoffelijke overschot. Toch bleef er iets van Madame de Sévigné gespaard. Om dat te zien moeten we terug naar Museum Carnavalet in Parijs. In een van de laatste vitrines ligt als een relikwie een lapje stof van de japon waarin de markiezin de Sévigné op zeventigjarige leeftijd werd begraven.