NAGO ontsluit archieven grafisch ontwerpers; Van fototypo tot klare lijn

Het grafisch werk van bekende vormgevers zal toegankelijk worden gemaakt met behulp van een databank, die een overzicht biedt van de recente ontwerpgeschiedenis. Een expositie in Amsterdam neemt daar vast een voorschot op.

Het gezicht van Nederland: stromingen in het grafisch ontwerpen 1930-1970. 25 okt. t/m 10 nov. in De Zaaijer, Keizersgracht 22, Amsterdam. Open: ma t/m za 10-17u., zo 11-17u. Inl.: NAGO, 020-419 38 41.

Nalatenschappen van kunstenaars van enige betekenis worden met grote vanzelfsprekendheid geconserveerd en toegankelijk gemaakt door musea of instellingen als de Rijksdienst voor Kunsthistorische Documentatie. Voor de archieven van grafisch ontwerpers is een dergelijke behandeling minder gebruikelijk. “Grafisch ontwerp wordt vanuit kunsthistorisch oogpunt nog steeds als bijkeuken van de kunst beschouwd”, zegt Toon Lauwen, coördinator van het Nederlands Archief Grafisch Ontwerpers (NAGO), dat drie jaar geleden werd opgericht. Doel van NAGO is om de archieven van toonaangevende ontwerpers te ontsluiten en goed geconserveerd onder te brengen in de depots van verschillende bewaarinstellingen. Als eerste is het archief van Dick Elffers (1910-1990), dat wordt bewaard in het Stedelijk Museum in Amsterdam, toegankelijk gemaakt via een door NAGO zelf ontwikkelde database.

Met een kortlopende tentoonstelling in De Zaaijer in Amsterdam, die morgenmiddag wordt geopend, wil NAGO het belang onderstrepen van de jongste geschiedenis van het grafisch ontwerp in ons land en daarmee van haar eigen werk. De tentoonstelling 'Het gezicht van Nederland: stromingen in het grafisch ontwerpen 1930-1970' begint met het werk van de avantgardisten Piet Zwart en Paul Schuitema, die als eersten in Nederland loskwamen van de traditionele en strikte opvattingen over boekverzorging en typografie. In de sfeer van De Stijl experimenteerden zij met de combinatie van typografie en zwart-witfotografie in reclamefolders en boeken voor bedrijven als Nutricia, de Nederlandse Kabelfabriek en Van Berkel Patent.

Ontwerpers van een volgende generatie, zoals Dick Elffers, Jan Bons, Otto Treumann en Nicolaas Wijnberg, reageerden op Zwart en Schuitema's 'fototypo' door in hun werk juist te kiezen voor andere technieken, waaronder verf en lithografie. Hun werk was schilderachtiger en vooral veel kleuriger dan van hun voorgangers. Zo is op de expositie te zien hoe Treumann, bijvoorbeeld in affiches voor de Rai, steeds probeerde om met zo weinig mogelijk inkt zoveel mogelijk kleurverschillen te bereiken.

Op de 'schilderachtige' stroming in het naoorlogse ontwerp volgde weer een reactie onder invloed van de Zwitserse School, die schreefloze letters en een 'klare lijn' voorschreef. Wim Crouwel, Benno Wissing en Jurriaan Schrofer voelden zich daarin thuis, maar de tentoonstelling laat zien hoe deze school toch ook zijn invloed heeft gehad op Treumann en Elffers. De gekozen periode weerspiegelt bovendien een duidelijke fase in de professionalisering van het vak: van de eerste, nog ontwerpbureaus van Nederland, zoals Total Design, Tel Design en BRS.

“We willen dingen laten zien die anders in archieven blijven liggen en die in de periode 1930-1970 het gezicht van Nederland mede hebben bepaald”, zegt Lauwen. Behalve een vijftigtal affiches, omvat de tentoonstelling ook postzegels en ander werk voor de PTT, folders, relatiegeschenken van bedrijven in de grafische industrie, verpakkingen, advertenties, typografische experimenten zoals Wim Crouwels New Alphabet, de monogrammen van Helmut Salden, maar ook de bewegwijzering die Benno Wissing maakte voor Schiphol.

Een bijzondere plaats is ingeruimd voor een serie bedrijfsboeken uit de jaren vijftig. Lauwen: “Dat zijn heel interessante fotoboeken met foto's van mensen als Carel Blazer en Cas Oorthuys. Ze zijn gemaakt door geëngageerde ontwerpers als Jan Bons en Otto Treumann, die daarbij de vrije hand kregen van hun opdrachtgevers. Uit die boeken spreekt het geloof in de wederopbouw en in de toekomst van het bedrijfsleven. Nu zouden ze niet meer tot de Best Verzorgde Boeken doordringen, maar toen waren het heel bevlogen boeken. Ze waren erg in trek totdat bedrijven zich in de jaren zeventig logo's en huisstijlen lieten aanmeten. Die fotoboeken laten nog eens heel duidelijk zien hoe de generatie ontwerpers van na de oorlog voortbouwde op het werk van de modernisten. Die tweede generatie modernisten heeft het vak tot een echt vak gemaakt, met een brede maatschappelijke inbedding en een eigen beroepsvereniging.”

Een sleutelrol in die professionalisering speelde Willem Sandberg, conservator en later directeur van het Stedelijk Museum. Behalve dat hij vele opdrachten voor affiches en catalogi verstrekte, stond hij aan de wieg van de eerste beroepsvereniging, de Vereniging van Beoefenaars der Gebonden Kunsten (GKf). Kort daarna werd in Den Haag ook de Vereniging van Reclame-ontwerpers en Illustratoren (VRI) opgericht, waartoe onder anderen Karel Suyling - van de beroemde Citroën-affiches - en Hans Bolleman hoorden. De keuze om de tentoonstelling tot 1970 te laten lopen, hangt ook samen met het feit dat beide verenigingen in 1968 fuseerden in de Beroepsvereniging Grafisch Vormgevers (GVN), waarmee een nieuwe periode aanbrak.

De opvolger van die GVN, de BNO, ondersteunt nu het werk van NAGO, dat de komende vier jaar bovendien op een structurele subsidie kan rekenen van het ministerie van OCW. Andere inkomsten komen van sponsors en vrienden van NAGO. Na de conservering van het Elffers-archief, werkt NAGO nu aan de ontsluiting van het omvangrijke en geordende archief van Otto Treumann. Al het grafische werk, inclusief voorstudies, wordt daarvoor gescand en in een databank opgeslagen. Op termijn moet die database in verschillende musea toegankelijk worden voor het publiek. Lauwen: “Op zo'n manier kun je mensen interesseren voor het onderwerp en aanzetten tot onderzoek, zonder dat ze zelf in het archief kostbare stukken in handen hoeven te nemen.”

Behalve Treumanns werk, wordt ook het al eerder ontsloten archief van Jurriaan Schrofer in de database gezet. Dat geldt ook voor gegevens ten behoeve van een documentair onderzoek naar de recente geschiedenis van het grafisch ontwerpen en de rol van de vakverenigingen daarin. Onder de noemer 'topografie van het grafisch erfgoed' worden dossiers over verschillende ontwerpers samengesteld, waarna wordt bepaald welke door NAGO worden ontsloten.