Lot gevlucht paar uit VS in handen Sorgdrager

AMSTERDAM, 24 OKT. Vormt de mogelijkheid van 29 jaar gevangenisstraf voor het bezit van 257 marihuanaplanten een geldig beletsel voor uitlevering? Dat is de vraag waarvoor minister Sorgdrager (Justitie) nu staat in het geval van het naar ons land gevluchte Amerikaanse echtpaar J. en Ch. Mooring dat wordt opgeëist door de federale justitie in de staat Arkansas. Hun verdediging noemt uitlevering in flagrante strijd met de rechten van de mens.

Het geval wil dat de Verenigde Staten en Europese landen waaronder Nederland dezelfde juridische maatstaf aanleggen. Beiden verbieden een “wrede of ongebruikelijke straf”. Aan beide kanten van de oceaan geldt dit als een van de rechten van de mens waaraan overheidshandelingen kunnen worden getoetst. Toch verwees de Hoge Raad de beslissing in de zaak-Mooring door naar minister Sorgdrager.

Een van de redenen dat het oordeel de rechter niet toekomt, is dat de regering de beschikking heeft over informatie omtrent de politieke situatie en de strafrechtspleging in andere landen die voor de rechter ontoegankelijk zijn. De uitleveringsrechter ontbeert volgens de Hoge Raad bovendien de mogelijkheid van de verzoekende staat bepaalde waarborgen te bedingen over de behandeling van de opgeëiste persoon.

De mensenrechten richten zich niet alleen tot de rechter maar ook tot de minister van justitie. Ook zij is dus gebonden aan het verbod van een wrede of ongebruikelijke bestraffing. De organen van het Europees verdrag in Straatsburg hebben uitgemaakt dat dit in de weg kan staan aan uitlevering, maar alleen in bijzondere gevallen. Daarbij valt vooral te denken aan situaties waarbij het opeisende land een regime heeft dat spot met de mensenrechten of waarin de methode van bestraffing neerkomt op marteling.

Klachten over de strafmaat als zodanig zullen in Straatsburg in het algemeen weinig tot geen succes hebben, oordeelde de voormalige Utrechtse hoogleraar (thans raadsheer in het Amsterdamse gerechtshof) A.H.J. Swart in een standaardwerk over uitlevering. Zelfs de doodstraf is niet verboden door het Europese verdrag voor de mensenrechten. Daar moest een afzonderlijk protocol over worden gesloten. Nederland levert overigens niet uit als de doodstraf dreigt. In de VS geldt de doodstraf al helemaal niet als een wrede en ongebruikelijke straf en beleeft hij de laatste tijd juist een opleving.

Toch betoogde Swart dat uitlevering achterwege dient te blijven indien de te verwachten straf in geen enkele redelijke verhouding staat tot de ernst van de feiten en de omstandigheden van de verdachte. Voor dit evenredigheidsargument bestaat in de VS zelf opmerkelijk genoeg wel een zeker precedent. Dit betrof een wettelijke gevangenisstraf van minimaal twaalf en maximaal twintig jaar voor het doen opnemen van een verklaring waarvan men weet dat hij onjuist is in een openbaar document.

Het federale Hooggerechtshof verklaarde deze strafmaat in strijd met de grondwet omdat veel ernstiger feiten veel minder zware straffen droegen. Maar dit precedent is wel erg oud (het dateert van 1910) en het hof was verdeeld terwijl het bovendien een zaak betrof uit de Filippijnen die toen door Amerika werden bestuurd. Later zag het hof in het geval van een oplichtingstruc via de post geen bezwaar in het op elkaar stapelen van straffen voor elke afzonderlijke brief die was verstuurd.

Met name aan het eind van de jaren tachtig zijn de straffen voor marihuana in de VS fiks verhoogd. Vorig jaar waren er ten minste dertig personen die een levenslange gevangenisstraf uitzaten voor het kweken van cannabisplanten. Toch verhief een onverdachte bron als een sheriff uit Arizona op het hoogtepunt van de oorlog tegen drugs zijn stem tegen het strafklimaat van “lock 'em up and throw the key away”. Dat is natuurlijk precies het probleem in de zaak-Mooring. Maar de sheriff zei tegen de New York Times dat hij besefte dat dit “ketterij was voor een diender”.