Kleinere klassen

EEN OPEN DEUR intrappen kan soms jaren op zich laten wachten. Zeker in de onderwijssector, waar de structuren gehard en de drang tot dirigisme groot zijn. Wat ouders en leerkrachten op grond van hun gezonde verstand al jaren menen te weten, is nu bevestigd door een officiële commissie.

Kleinere klassen in het basisonderwijs dragen bij tot verbetering van het leerproces. Onderwijzers kunnen zich verheugen op verlichting van hun taak nu zich een omslag heeft voorgedaan en het belang van kleinere schoolklassen de politieke prioriteit van het naseizoen is geworden.

De commissie-Van Eijndhoven, genoemd naar de oud-directeur-generaal basisonderwijs van het ministerie van Onderwijs (en als zodanig nauw betrokken bij de invoering van de basisschool in 1986), heeft de presentatie van haar rapport Klassenverkleining goed voorbereid. Deze zomer lekten plotseling berichten uit naar de media over de voordelen van kleinere klassen, gebaseerd op Amerikaans onderzoek. Tijdens de Algemene beschouwingen werd al een voorzetje genomen op verkleining van de klassen, er werd wat met geld geschoven en een toezegging gedaan voor 1998. Bij de presentatie van het rapport kondigde staatssecretaris Netelenbos (Onderwijs) deze week aan dat de operatie een jaar naar voren wordt gehaald. Vanaf 1997 zal een begin worden gemaakt met verkleining van de klassen in de laagste groepen van de basisschool.

ZOVEEL VOORTVARENDHEID roept veel vragen op. Naar het politieke opportunisme, bijvoorbeeld. Want waarom was al die jaren verkleining van de schoolklassen onbespreekbaar? Het argument dat er geen geld was, is maar ten dele juist. De onderwijsbegroting is nog altijd de grootste post op de rijksbegroting, opeenvolgende ministers van Onderwijs hebben bezuinigingsrondes gedeeltelijk weten af te wentelen op de overige ministers. Onder de vorige staatssecretaris, de huidige PvdA-fractieleider Wallage, was schaalvergroting van scholen en klassen het standaardbeleid van Zoetermeer. Overigens is de klassengrootte voor basisscholen in achterstandswijken met het 'onderwijsvoorrangsbeleid' aanzienlijk teruggebracht.

Het verzet tegen minder leerlingen per klas kwam niet in de laatste plaats van de onderwijsvakbonden, die een onevenredig grote invloed op het beleid hebben. Ze vonden de rechtspositie van de leden belangrijker dan de klassengrootte. Toen er vorig jaar een beetje geld beschikbaar kwam, gingen de bonden met tegenzin akkoord met de 'klassenassistenten' als halve oplossing van de werkdruk voor leerkrachten. Een neveneffect van de vakbondsgreep op het personeelsbeleid is de gelijktijdige groei van het aantal wachtgelders in het onderwijs. De klassen zijn te groot en de onderwijzers staan op wachtgeld.

HET BASISONDERWIJS heeft in deze kabinetsperiode prioriteit gekregen. Daar valt alles voor te zeggen, ook al zal de spraakmakende lobby van het hoger onderwijs daar niet gelukkig mee zijn en valt te vrezen voor de aandacht die nodig is voor hervormingen in het voortgezet onderwijs. In de eerste stappen van het onderwijs is de klassengrootte niet zaligmakend om alle uitdagingen van het moderne leerproces op te lossen, maar het vergemakkelijkt die taak natuurlijk wel. Onderwijzers, ouders en de scholieren hebben daar allen baat bij.