Justitie gaat jacht maken op criminele geldstromen

EDE, 24 OKT. Na de misdaad en de misdadiger heeft justitie de misdaadgelden ontdekt. De opsporingsautoriteiten maken jacht op de buit, het witwassen, en op financiële informatie, die hen op het spoor kan zetten van andere vergrijpen. Banken zijn daarbij al behulpzaam, maar door sommigen is ook de assistentie van onder meer makelaars en autodealers gewenst.

“Bij de opsporing en vervolging van strafbare feiten moet het vizier behalve op de goederenstromen ook zijn afgesteld op de geldstromen”, zei minister W. Sorgdrager van Justitie gisteren bij het symposium Blik op de Buit in Ede. Sorgdrager kondigde een offensief aan tegen het witwassen.

Financiële recherche is 'hot', bleek gisteren. Het symposium van de WODC was zeer druk bezocht door politie-agenten, officieren van justitie, bankmedewerkers, beleidsmedewerkers van Justitie en wetenschappers. “Misdaadgeld wordt niet langer gezien als een afgeleid probleem, maar als een zelfstandig probleem. De illegale opbrengsten vormen de schakel tussen de illegale onderwereld en de legale economie, waardoor de gevreesde verweving zou kunnen ontstaan”, vatte prof. dr. H. van de Bunt samen. Van de Bunt was een prominente getuige in het parlementaire onderzoek van de commissie-Van Traa.

Rechercheurs moeten leren “kijken met een financiële bril” naar mogelijke misdrijven. “Het voorbeeld van Dutroux in België is misschien een beetje makkelijk, maar wel helder. Een werkloze man heeft zeven huizen. Dat moet vragen oproepen”, zegt Van de Bunt: “Een ander voorbeeld ken ik uit een drugszaak. In telefoongesprekken tussen de verdachten werd voortdurend gepraat over verkoopprijzen, waardoor de taps een goudmijn aan financiële informatie bevatten. Daarmee is nooit iets gedaan, hoewel de verdeling van geld bijvoorbeeld iets kan zeggen over de gezagsverhoudingen. Een rechercheur moet er eer mee willen inleggen het financiële plaatje te maken van een misdaadorganisatie.”

De financiële recherche concentreert zich op dit moment vooral op het inpikken van de buit, het zogeheten “ontnemen van wederrechterlijk verkregen vermogen”, dat al een aantal jaren mogelijk is onder de 'pluk ze'-wetgeving'. Het is immers moreel ongewenst dat de dader na zijn celstaf alsnog kan genieten van de opbrengst en praktisch ongewenst dat de crimineel een startkapitaal ter beschikking heeft voor nieuwe activiteiten. Vorig jaar brachten officieren van justitie 1.000 'pluk ze'-zaken aan, dit jaar naar verwachting 1.500, ruim onder de gehoopte 3.500.

Daarnaast is het witwassen van misdaadgeld uitgegroeid tot een fenomeen, dat niet alleen justitie maar ook financiële instellingen zoals banken raakt. Van de Bunt schetst drie methoden om voor illegale gelden een legale herkomst te creëren. “Een methode is het lenen van geld aan jezelf door bijvoorbeeld een buitenlandse instelling die ook van jezelf is. Een andere is het fingeren van handelsstromen. Mogelijk is ook het opvoeren van - veel te hoge - winsten op de verkoop van huizen, dan wel de handel in effecten waarbij de winsten op een legale rekening vallen en de verliezen op een zwart geld-rekening”, zegt Van de Bunt. Zo'n situatie deed zich voor bij het effectenkantoor Nusse Brink, waarover de officier van justitie afgelopen week in de strafzaak zei dat er “zeer sterke aanwijzingen” maar geen bewijzen waren voor witwassen.

Dat de interesse voor financiële recherche is toegenomen, hangt samen met de groei van de misdaadorganisaties. “Een psychologische schets van de crimineel leert dat het gaat om mensen die voortdurend sensaties najagen en veel geld besteden aan hun lustbevrediging. Het vermogen dat je ziet aan Mercedessen en gouden kranen is vaak het hele vermogen. Alleen wat na deze uitgaven overblijft, wordt geïnvesteerd”, zegt rechtspsycholoog P. van Koppen. Van de Bunt wijst erop dat het enige jaren heeft geduurd voordat het geld zich heeft opgehoopt: “Een groep die zeven jaar lang 15 miljoen gulden per jaar maakt, heeft natuurlijk na verloop van tijd een aardige som.”

Bij het in kaart brengen van de illegale opbrengsten is de hulp van de financiële wereld ontontbeerlijk. Sinds 1994 geldt de wet Melding Ongebruikelijke Transacties (MOT) waarbij onder banken opvallende geldhandelingen melden, zoals contante transacties boven de 25.000 gulden. De verwerking van de meldingen verloopt nog uiterst moeizaam, door gebrek aan financiële deskundigheid bij justitie. Sorgdrager wil deze 'kinderziektes' nu aanpakken en krijgt hulp van de banken, die hun deskundigheid ter beschikking hebben gesteld.

Sorgdrager stelde gisteren dan ook verheugd vast dat “de banken over hun aanvankelijke reserves zijn heengestapt”. Van de Bunt noemt het belangrijkste effect van de MOT de mentale omslag bij de banken: “Niet langer is de bescherming van de vertrouwelijkheid de hoogste waarde, maar de integriteit van de instelling. De plastic tas met 100.000 gulden in losse biljetten is uitgebannen. De banken beseffen dat zij de poortwachters van de samenleving zijn.”

Voor de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) is dit nog lang niet genoeg, Waarnemend hoofd van de CRI, J. Janse, pleitte gisteren voor een uitbreiding van de meldingsplicht onder de MOT. “Het is wenselijk om meldpunten in te richten voor makelaars, trusthouders, autodealers, curatoren of belastingsadviseurs”, zei hij. Hij wil ook een meldplicht voor kredietovereenkomsten, zekerheidsstellingen, trustakten en lease-contracten en cessie-akten. Janse wil ook dat de opsporingsambtenaren de bevoegdheid krijgen navraag te doen bij de sociale dienst, bedrijfsvereniging en de belastingdienst nog voordat sprake is van een wettelijk “redelijk vermoeden.” Een bankier protesteerde onmiddellijk en vond dat justitie de huidige meldingen maar eerst eens in goede banen moet leiden. Hij kreeg bijval van P. van Koppen, die de effectiviteit van de MOT in twijfel trok. In 1995 waren er 16.215 MOT-meldingen, waarvan uiteindelijk een half procent leidde tot een opsporingsonderzoek. “Het is de vraag of je met deze sleepnetmethode die vissen vangt waarop je hoopte en of de vissen die in het net zitten ook echt alle vissen zijn”, zei Van Koppen.

De roep om aparte witwaswetgeving was gisteren ook luid. Nu valt witwassen in het wetboek van strafrecht onder het begrip heling en moet het openbaar ministerie eerst het onderliggende delict (drugshandel, inbraak) bewijzen. “Dat is een probleem als je ziet dat veel geld uit Oost-Europa in Nederlands vastgoed wordt belegd. Bovendien kun je de man die zijn eigen buit witwast niet pakken, omdat je alleen kunt helen voor een ander”, zei Janse. Landelijk officier H. Smid bij het meldpunt MOT pleitte er voor om het witwassen onder te brengen in de wet economische delicten. Dan kan justitie makkelijker controles uitvoeren bij verdachten en moeten verdachten bewijzen dat het geld een legale herkomst heeft, zoals bij belastingaangiften. Een omkering van de bewijstlast is in het Nederlandse strafrecht ongekend.

“Dat moet straks de halve burgerij tekst en uitleg geven, dat geeft mij een sterk Big Brother-gevoel”, zei prof. dr. P. van Duyne. Van de Bunt vindt aanscherping ook niet echt nodig: “Als je iemand pakt voor drugshandel zelf, dan vraag ik me af of iemand ook nog voor heling moet worden berecht. Daarnaast wordt er al jaren geroepen: achter elke steler, staat een heler. Toch wordt bij woninginbraken vaak de inbreker gepakt, terwijl de politie weinig werk van de heler maakt. Er is nog genoeg werk te doen.”