Het hoofd en het maaiveld

Heel wat kijkers, lezers en luisteraars zijn R. Diekstra te hulp geschoten in zijn uren van vertwijfeling. Dat is goed, want het is nooit prettig iemand in moeilijkheden te zien gebracht en er zijn weinig dingen lachwekkender dan het Nederlandse volk in een van zijn periodieke aanvallen van morele verontwaardiging (kenners mogen uitmaken of dit een citaat of een vorm van plagiaat is). Ook door degenen die de benarde zielkundige te hulp schoten, werden de verhoudingen echter nogal eens uit het oog verloren, wat soms tot vreemde uitspraken leidde.

Een van de vreemdste opmerkingen die ik in dit verband een paar keer ben tegengekomen, was de verzuchting dat in dit land 'iedereen die zijn hoofd boven het maaiveld uitsteekt' nu eenmaal een kopje kleiner wordt gemaakt. Ik kan met geen mogelijkheid inzien dat deze zaak hier een voorbeeld van is en ik geloof eigenlijk ook helemaal niet dat dit een typisch Nederlands verschijnsel is. Natuurlijk zullen er wel vakbroeders zijn geweest die een zekere jalousie de métier voelden bij de publicitaire triomfen van hun populaire collega en anderen die een zeker leedvermaak beleefden aan zijn déconfiture, maar noem mij het land waar dit verschijnsel niet voorkomt en werp dan pas de eerste steen. Diekstra is een zeer geliefd zielzorger, een steun en toeverlaat voor pubers in nood en een brenger van vreugde en verlossing voor vrouwen met verdriet. Hij oogstte triomfen in regionale en geïllustreerde bladen, op radio en televisie en nog veel meer.

Dat alles heb ik overigens pas onlangs geleerd, tijdens de dagen zijner ontluistering, want ik ben vrouw noch puber en de wereld der regionale en geïllustreerde bladen is mij vreemd. Uit niets echter blijkt dat al deze successen, die hem eer, aanzien en volgens sommigen ook zeer aanzienlijke welstand hebben gebracht, zijn academische carrière hebben geschaad. Integendeel, hij was - men is onwillekeurig geneigd in de verleden tijd te schrijven - een succesvol universitair docent, onderzoeker en bestuurder. De rector van de Leidse universiteit, zo vertelde mij iemand, prees hem eens als een van de twee lumina van zijn instelling. Dat er twee zielen leven in Diekstra's borst, die van de zielkundige en die van de zielzorger, stoorde niemand. Met de parabel van het hoofd en het maaiveld kunnen wij in dit geval dus niet uit de voeten, maar ik geloof, zoals gezegd, ook in het algemeen niet dat wij hier veel mee aankunnen. Integendeel, ik geloof dat wij Nederlanders juist heel trots zijn op onze succesvolle landgenoten. Laat ik een paar voorbeelden geven. De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen levert al jarenlang de jury's voor de toekenning van de Heineken-prijzen. Het gaat hier om eervolle onderscheidingen, waarmee bovendien zeer aanzienlijke geldbedragen zijn gemoeid. Je zou dus kunnen denken dat in een land waar de wet van het maaiveld heerst men elkaar zo'n prijs niet zou gunnen. Maar dat is niet het geval. Met regelmaat vallen ook Nederlandse geleerden in de prijzen. Zij worden niet voorgetrokken, maar ook niet gediscrimineerd. Er wordt toegekend zonder onderscheid naar nationaliteit en van de neiging landgenoten een kopje kleiner te maken, is geen sprake. Gelukkig maar.

In mijn eigen vakgebied, de geschiedenis, zie je hetzelfde. Iemand als Huizinga was tijdens zijn leven wereldberoemd. Ook in zijn eigen land vielen hem tal van eerbewijzen ten deel. Hij trad zelfs op als getuige bij het huwelijk van prinses Juliana, weliswaar in een laat stadium en pas nadat een vorstelijk personage was uitgevallen, maar toch. Ook nu nog, ruim een halve eeuw na zijn dood, wordt hij geëerd. Er worden lezingen en instituten naar hem genoemd, ja er is een ware wedren om zijn naam aan van alles te verbinden. Ook historici als Geyl en Romein, Rogier en Presser en niet te vergeten Loe de Jong, die zo ongeveer alles deed wat mogelijk was om zijn hoofd boven het maaiveld uit te steken, werden niet geslachtofferd maar geëerd. Hetzelfde geldt voor de econoom Tinbergen, die niet alleen in wetenschappelijke kringen werd gevierd, maar ook uitgroeide tot een nationaal symbool van deugd en soberheid, dat zelfs de herinnering aan de oude Drees deed vervagen.

Dit is de wereld van de wetenschap, maar voor de literatuur geldt hetzelfde. Natuurlijk maken onze auteurs elkaar graag uit voor alles wat slecht is, want dat hoort er nu eenmaal bij. Het volk daarentegen vereert zijn schrijvers. Iedere vertaling in een vreemde taal wordt trots gemeld en de Frankfurter Buchmesse werd enige jaren geleden in de Nederlandse media gepresenteerd als een vaderlands veld van eer. Ik herinner mij ook dat er een instelling was die jarenlang Gerrit Kouwenaar, Sybren Polet en Simon Carmiggelt heeft voorgedragen voor de Nobelprijs. Dat getuigt van goede wil, maar niet van een scherp gevoel voor verhoudingen.

In de sport is de behoefte aan verering der coryfeeën - of coniferen, zoals men in die kringen zegt - nog groter. Als het Nederlands elftal wint is dat voldoende aanleiding om de helft van de Amsterdamse woonboten uit puur enthousiasme tot zinken te brengen. Maar het is niet alleen het gewone volk dat zijn helden eert. Succesvolle hockeyers krijgen tegenwoordig decoraties die aan eerzame rectores magnifici worden onthouden. Als iemand Olympisch kampioen wordt in het straatvechten of postduifschieten, dan wordt hij ten minste ontvangen op het Catshuis en in de verdere toekomst wellicht ook op Huis ten Bosch.

Het zijn maar enkele voorbeelden van de verering die het Nederlandse volk koestert voor zijn succesvollen. Ik ken eigenlijk geen voorbeeld van het tegendeel. Half mislukte ondernemers als Wisse Dekker werden uitgeroepen tot professor in de bedrijfslevenkunde en riepen zichzelf vervolgens uit tot redders van het vaderland. Op zulke hoofden is het toch makkelijk schieten, maar er werd niet geschoten doch slechts geapplaudisseerd. Af en toe duikelt iemand van grote hoogte. Aantjes was zo'n geval. Stellig zullen sommige politici niet al te verdrietig zijn geweest over de val van de zelfbenoemde bergredenaar. Stellig had de affaire fatsoenlijker behandeld kunnen worden, maar van een poging tot onthoofding van iemand die te hoog gestegen was, was geen sprake. Eerder van een onbewuste hang naar zelfdestructie.

Ik geloof kortom dat het Nederlandse gedrag beter wordt getypeerd door de leuze: 'Waarin een klein land groot kan zijn', dan door een nationale behoefte om van het maaiveld een schootsveld te maken.