Gezinshoofden door kinderen gegijzeld

“Gisteren lieten ze ons hard werken, nu ben ik net een oude auto die je niet meer nodig hebt. Ik ben vijftig jaar, mijn rug is kapot en ik kan alleen maar wachten op het einde. Oude auto's, die breng je naar de sloop. Nederland is een sloperij. Wij wachten tot we worden begraven, één voor één.”

De uitspraak komt uit het onderzoek 'Religiositeit, etniciteit en welbevinden bij mannen van de eerste generatie Marokkaanse moslim-immigranten', waarop de cultuur- en godsdienstsocioloog F.H.C. Kemper vorige maand aan de Nijmeegse Universiteit promoveerde.

Het gaat niet goed met de Marokkaanse gastarbeiders van het eerste uur. De immigranten zijn afgedankt, velen zijn geheel of gedeeltelijk arbeidsongeschikt verklaard, anderen zijn werkloos zonder enige kans op een baan. Ook leven ze veelal in een isolement. De Marokkanen hebben niet alleen weinig contacten met Nederlanders, maar ook nauwelijks met hun landgenoten. “Ik sta verbaasd over hoe weinig cohesie er is. Het is een triest bestaan”, zegt Kemper.

De band van de arbeidsmigranten met Marokko is sterk. Bijna driekwart van de mannen gaat iedere twee jaar naar het moederland en zou vaker gaan als men het geld daarvoor had. De meesten zouden het liefst terugkeren. Maar dat willen hun kinderen niet. Die zijn hier geboren of in elk geval opgegroeid. Volgens Kemper worden de gezinshoofden als het ware “gegijzeld” door hun kinderen. Een van de ondervraagden: “Ze komen eten, ze douchen, ze kleden zich om en ze gaan weer weg, naar school. Ze gaan voetballen, zaterdags naar de disco. Hoe ze dat betalen weet ik niet. Ze komen en gaan, het is hier net een hotel.”

De Marokkanen voelen zich in de eerste plaats moslim. Vrijwel iedereen vast tijdens de ramadan, bidt vijf keer per dag en bezoekt wekelijks de moskee. Zo mogelijk maken ze de pelgrimage naar Mekka. Er wordt ook veel extra gevast en gebeden om op de Dag des Oordeels meer kans te maken op een hemelse beloning, de zogeheten adjr. Het verbod op alcohol en varkensvlees wordt strikt nageleefd, men hecht grote waarde aan het dragen van de hoofddoek door vrouwen en vreest een huwelijk van zijn dochter met een niet-moslim. Kemper: “Ze hebben de Marokkaanse religiositeit uit hun vroegere geboortedorpen hier gekopieerd. Ze houden hun jeugdjaren vast, dat zie je vaker bij migranten. Het lijkt een beetje op Nederlanders die naar Australië emigreerden en die nu nog liedjes van Eddy Christiani zingen en een portret van koningin Wilhelmina aan de muur hebben hangen.”

De hang naar religie is veel groter dan toen de gastarbeiders hier als jonge alleenstaande mannen in de jaren zestig en zeventig kwamen. Ze moesten hard werken en konden vaak niet anders dan de religieuze voorschriften met een korreltje zout nemen. Kemper: “Als in de bedrijfskantine zuurkool met een varkenslapje werd geserveerd, dan keken ze even de andere kant op.” Na de gezinshereniging gaven ze aan hun kinderen het goede voorbeeld, en moeder de vrouw kookte voortaan volgens de islamitische drank- en spijswetten.

Volgens Kemper groeit in Nederland de algemene opinie dat de gehechtheid aan religieuze tradities van allochtonen hun integratie in de samenleving in de weg staat. Ten onrechte, constateert Kemper. “Religie werkt niet integrerend, maar religie hoeft geen obstakel te zijn. De mensen die veel contacten hebben met Nederlanders, zijn zeer religieus.”

Dat de integratie van de eerste generatie Marokkaanse moslim-mannen is mislukt, is volgens Kemper grotendeels de schuld van het welzijnswerk. “Een gemiste kans” noemt hij dat de moskee vrijwel nooit bij het welzijnswerk is betrokken. De Marokkaanse moskee is volgens Kemper weliswaar een gesloten bolwerk, slecht georganiseerd en onder bestuursleden is er voortdurend geruzie over macht en geld.

Maar de moskee is voor vele gastarbeiders de enige plaats waar ze mensen van buiten hun eigen gezin ontmoeten en dus, aldus Kemper, had samenwerking tussen het welzijnswerk en de moskee voor de hand gelegen.

Dat bedrijven vaker dan vroeger faciliteiten bieden om onder werktijd het islamatische geloof te belijden, vindt Kemper bemoedigdend. Aparte gebedsruimten, halal-voedsel in de kantine en vrije dagen op islamitische feestdagen juicht hij toe. Maar de Nijmeegse onderzoeker waarschuwt ook dat een verkeerde vorm van aandacht contraproduktief kan werken en tot “fricties” kan leiden.

Kemper: “Te vaak wordt hun het politieke extremisme van andere moslims aangerekend. Sommigen werden tijdens de Golfoorlog op het matje geroepen. Ik zou de religiositeit tot reële proporties willen terugbrengen. Aan de lopende band in fabrieken staan verschillende mensen, van communistische diehards tot verstokte gereformeerden. Dat gaat samen. De een gaat onder werktijd een sigaretje roken, laat de ander gewoon even gaan bidden. Vergeet niet dat je met individuele mensen te maken hebt.”