De overheid houdt de woningnood moedwillig in stand

Vanaf begin volgende eeuw zullen in Nederland vrijwel geen nieuwe bouwlocaties voor woningen meer worden ontwikkeld. Dat is volgens W. Schrieks een fatale beslissing. Om aan de vraag naar kwalitatief goede woningen te voldoen, moeten er veel meer huizen worden gebouwd dan het rijk nu van plan is.

De verschillende overheden zijn het er praktisch over eens dat vanaf 2005 veel minder woningen gebouwd moeten worden. Aan het ontwikkelen van nieuwe bouwlocaties zal daarom niet worden gewerkt. Het gevolg zal helaas zijn dat in Nederland te weinig woningen beschikbaar komen. Dit blijkt uit een vergelijking met omringende landen. Het gevolg is dat woningzoekenden uit bijvoorbeeld Leiden verplicht zullen worden naar Den Haag te verhuizen.

Dit voorgenomen beleid is niet goed. Er zullen door de overheid procedures gestart moeten worden om ervan verzekerd te zijn dat ook in de periode 2005-2010 nog gemiddeld 100.000 woningen per jaar te bouwen zijn. Alleen dan zal voldaan kunnen worden aan de vraag naar goede woningen op de plaatsen waar ze gewenst zijn. Als men de besluitvorming nog wil beïnvloeden dan kan de Tweede Kamer bij de behandeling van de begroting van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) niet voorbij gaan aan het probleem van het kwalitatieve woningtekort.

Rijk en provincies zijn het voor 99,5 procent met elkaar eens, zo bleek onlangs uit het bestuurlijk overleg over de actualisering van de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening Extra. Na de grote inspanningen die zij zich hebben getroost om bouwlocaties te creëren voor de periode 1995-2005, is het goed een pas op de plaats te maken. Voor de daarop volgende vijf jaren kan worden volstaan met de bouw van 45.000 woningen per jaar. Dat bespaart een hoop gezoek naar bouwlocaties en beperkt de hoeveelheid subsidie die het rijk voor die locaties beschikbaar moet stellen.

Het is de vraag wie zich daar druk over moeten maken. Het gaat immers om een vijfjarenplan, van de overheid nog wel, en dat voor een periode die eerst over dertien jaar begint. Op het eerste gezicht is er geen enkele reden om zich zorgen over de maken over de realisatie van dit plan.

Maar helaas, het betreft hier een plan om niets te doen. En zo'n voornemen is, zeker in de gecompliceerde Nederlandse verhoudingen op het gebied van de ruimtelijke ordening, nogal eenvoudig te effectueren. Dus mag verwacht worden dat dit een plan is dat zal worden uitgevoerd.

Dat zou op zich ook nog niet zo'n probleem zijn, ware het niet dat de overheid inmiddels wel een allesoverheersende invloed heeft verworven op de woningbouw. De overheid heeft de invloed op de woningbouw tot een internationaal ongekend niveau weten op te voeren door de hoeveelheid beschikbare bouwlocaties te beperken tot een uiterst noodrantsoen.

Dat doet men door de gewenste hoeveelheid bouwlocaties alleen te baseren op het kwantitatieve woningtekort. In essentie houdt dit in dat de behoefte aan een luxe bungalow in Amsterdam wordt weggestreept tegen een goedkope leegstaande flat in Delfzijl.

Niemand die deze uiterste consequentie serieus neemt natuurlijk. Maar het praktische effect van deze benadering is al wel dat de woningzoekenden uit Leiden de komende jaren verplicht zullen worden richting Den Haag te verhuizen.

Tegen de tijd dat dit vraagstuk van het kwalitatieve woningtekort echt aan de orde van de dag is, zal er natuurlijk politieke druk ontstaan om de ergste uitwassen van dit rigide systeem te verzachten.

Maar dan ook zal blijken dat het toch zeker een jaar of tien duurt voordat alle formele procedures tegen mogelijke nieuwe bouwlocaties uit de weg zijn geruimd en er daadwerkelijk woonruimtes kunnen worden gebouwd. Het is ook die lange termijn die de overheid ertoe beweegt reeds nu af te spreken dat men het na 2005 rustig aan kan doen met het bouwen, met als consequentie dat men niets meer hoeft te plannen.

Voor de zoveelste keer sinds de Tweede Wereldoorlog wordt beredeneerd dat de woningbehoefte afneemt en dat daarom de produktie kan worden beperkt. Echter, men mag zich bij het formuleren van het toekomstige woningbouwbeleid niet alleen baseren op kwantitatieve tekorten.

Zoals op alle andere terreinen leidt welvaartsgroei ook bij het wonen tot een verhoging van de gewenste kwaliteit. Kwaliteit die onder andere inhoudt dat bewoners moeten kunnen kiezen. En dat blijft bij de voorgenomen produktiebeperking een groot probleem. Tot na 2010 houden wij bij het voorgenomen beleid in ons land een situatie in stand, waarbij de woningdichtheid achterblijft bij hetgeen andere landen nu reeds hebben bereikt.

Onderstaand overzicht laat zien dat het aantal woningen per 1.000 inwoners aanmerkelijk achterblijft bij andere Europese landen.

Aantal woningen per 1.000 inwoners

België, 1990 423

Duitsland, 1990 428

Denemarken, 1990 458

Groot-Brittannië, 1990 406

Frankrijk, 1990 462

Nederland, 1990 393

Nederland, 1995 402

Nederland, 2005 414

Nederland, 2010 418

Zouden wij in Nederland in 2010 evenveel woningen willen hebben als het gemiddelde van de vijf hierboven vermelde landen in 1990, dan moeten erin de periode 2005-2010 niet 45.000, maar ruim 100.000 woningen per jaar aan de voorraad worden toegevoegd.

Op zijn minst zou voor zoveel woningen bouwgrond beschikbaar moeten zijn. De plannen daarvoor moeten nu worden ontwikkeld. Geen enkele reden dus voor de overheid om te komen met een plan om niets te doen en achterover te gaan leunen. Regeren is vooruit zien en in sommige gevallen heel ver vooruit zien.