Wim T. Schippers in Centraal Museum

AMSTERDAM, 23 OKT. Het Centraal Museum in Utrecht zal eind februari 1997 de eerste retrospectieve tentoonstelling presenteren van Wim T. Schippers. Onder de titel Het Beste van Wim T. Schippers brengt het museum een overzicht van zijn werk als beeldend kunstenaar, typograaf, televisie- en radiomaker en theaterregisseur. Daarnaast verschijnt een boek dat een aanzet moet zijn tot een complete oeuvre-catalogus.

Uit openbare en particuliere collecties zullen vele niet eerder getoonde werken geëxposeerd worden, evenals modellen, foto's en tekeningen van beelden in de openbare ruimte waarvan sommige verloren zijn gegaan of nooit zijn uitgevoerd; van zijn bekende The Chair (1965), een vijf meter hoge fauteuil van beton in het Amsterdamse Vondelpark, tot een minuscuul monumentje dat uit een bronzen vlaggetje bestaat en dat sinds kort, onopvallend, de nieuwe aanbouw van het Rijksmuseum in Amsterdam siert.

Ook Schippers' onlangs gerestaureerde beeld Het Melkmeisje (1976), een driedimensionale kijk op Vermeers schilderij dat nu een plaats heeft gekregen aan de Delftse Binnenwatersloot - het lag jarenlang in een gemeentelijke opslagruimte - zal in de vorm van documentatie te zien zijn. In diezelfde vorm wordt verder nog het model gepresenteerd van zijn voorstel voor een dertig meter hoge, bronzen papegaai in de Rotterdamse haven, een plan dat werd afgewezen omdat het niets met de haven te maken had, hoewel dat nu juist de bedoeling van de maker was. Wel uitgevoerd en aanwezig in Utrecht zal zijn gedeukte en overgespoten Parijse taxi zijn.

“Doe maar net alsof ik dood ben”, was de raad die Schippers meegaf aan de samensteller van boek en tentoonstelling, de Fluxuskunst-specialist Harry Ruhé. Hij heeft de vrije hand en alle medewerking van de kunstenaar gekregen. Het enige dat Schippers verlangde is dat de tentoonstelling geen al te museale indruk maakt.

Schippers liet de museale kunst eind jaren zestig voor wat ze was: “Eénmanstentoonstellingen hier, groepstentoonstelling daar. Dat hele gedoe met die kunstwereld beviel me toch al niet zo. Ik vond het echt een verademing, die televisie.” Voortaan zou hij exposeren in wat hij noemde 'de grootste galerie van Nederland', de televisie.