Verloren

“Als je ooit verdwaalt”, zei mijn vader wel eens toen ik klein was, “en je bent in een wildvreemd dorp, dan kun je het beste vragen naar het huis van de notaris.”

- “Van de dominee”, verbeterde mijn moeder, “ga maar naar de dominee.”

- “Hè, breng dat kind nu niet in de war”, zei mijn vader dan, quasi verstoord. “Je gaat naar de notaris, en als die er niet is, de dokter.”

- “Neem de dominee maar hoor”, fluisterde mijn moeder plagerig. Haar familie telde vele dominees, de vader van mijn vader was notaris, en dat verklaarde het verschil van mening.

Helaas ben ik nooit verdwaald, niet in de stad en niet in een dorp; en ik heb dus nooit hoeven te kiezen tussen de tegenstrijdige orders van mijn ouders. Maar het dialoogje deed zich meermalen voor in mijn kindertijd, en elke keer vond ik het weer heerlijk. Ik denk dat ik voelde dat er een verloren wereld achter schuil ging, een wereld vol zekerheden, waar iedereen wist wat je moest doen in een noodsituatie. Waar in elk dorp een dokter, een notaris en een dominee in hun grote huizen zaten te wachten tot de huishoudster een zoekgeraakt meisje zou binnenbrengen.

Een ideale wereld, zo leek het mij toen. Ik stond er niet bij stil dat het ook een wereld was waar alleen de grote huizen telefoon hadden. En al helemaal niet bij het onmiskenbare standsbesef in de raad van mijn ouders.

Heimwee naar die wereld zou misplaatst zijn. Het is heel goed dat iedereen tegenwoordig telefoon heeft, dat er niet zoveel verschil meer is tussen de grote huizen en de kleine, tussen het dorp en de buitenwereld.

Maar waar ik weemoedig om kan worden is het zoek raken van al die oude regels en gebruiken, alle zekerheden die bij die wereld hoorden. Regels die niet alleen zeiden aan wie je je als kind kon toevertrouwen, maar ook wanneer in huis de kachels mochten worden aangestoken. (Op 1 oktober geloof ik.) Wanneer je een hoed moest dragen en wanneer hij juist af moest, hoe je de tafel dekte en wat je moest doen voor je op vakantie ging. Regels van zuinigheid, netheid en standsbesef, rituelen voor iedere gelegenheid.

Het zit in heel kleine dingen. Zo is er voor mijn gevoel maar één juiste manier om een handdoek op te vouwen, de manier die ik thuis geleerd heb. Eerst in de lengte, dan twee keer in de breedte, dan krijg je nette stapeltjes in de kast. Mijn linnenkast kan niet in de schaduw staan van die van mijn moeder en mijn grootmoeder, maar ik vind het vreselijk om iemand op geheel willekeurige wijze een handdoek te zien vouwen.

Misschien moet je in de nadagen van al die regels en zekerheden hebben geleefd om er vertederd over te zijn. Zij konden ook erg knellen, en er waren weinig vluchtmogelijkheden voor wie geen zin had om mee te doen. Maar ja, dat is toch geen reden om alles te vergeten; we vergeten toch ook oorlogen en andere narigheid niet?

Er is vorig jaar een prachtig boek verschenen waarin van alles is vastgelegd wat pas kort geleden is, maar al spoorloos vervlogen lijkt. Het heet 'Madame est servie', en gaat over het leven van het huispersoneel van adel en burgerij in België. Diane de Keyzer, de schrijfster, heeft tientallen oud-dienstboden en valets de chambre ondervraagd. Zij vertelden haar wat zij moesten doen, wat ze niet mochten, en hoe dat voelde.

Met groot respect, niet alleen voor haar zegslieden maar ook voor de vreemde, stijve wereld waarin zij leefden heeft de Keyzer het allemaal genoteerd. Zonder larmoyantie beschrijft zij het leed van meisjes van veertien die eenzaam hun prakje moesten eten, en zich de handen bloedig werkten bij het schuren van het parket. Maar ook de trots van de kokkin op haar welvoorziene keuken, het gegiechel van kamermeisjes die de jurken van madame pasten als zij van huis was - en de huishoudens die liepen als goed geoliede machines.

Misschien vindt niet iedereen het leuk; dat hoeft ook niet. Maar zelf zou ik het liefst zo veel mogelijk willen weten en bewaren van wat toen wetenswaardig en belangrijk was, en ons nu al zo vreemd in de oren klinkt.