Pickpocket

Alfred Hitchcock (1899-1980) en Robert Bresson (1901), twee van de grootste stilisten uit de eerste eeuw van de cinema, hebben meer gemeen dan je op grond van een oppervlakkige beschouwing van hun films zou denken. Beiden werden gefascineerd door misdaad en straf, en door het kille mechaniek van het kwaad.

Hitchcock noemde acteurs 'vee', op z'n best aangename stoffering van zijn manipulatiekunst; Bresson werkte het liefst met amateurs, omdat hij niet wilde dat de toeschouwer afgeleid werd door de fijnzinnige psychologie van het acteren. 'Modellen' noemde hij zijn acteurs, wier gezichtsexpressie en zorgvuldig geknede lichaamstaal vooral geen betekenis mochten krijgen. De asceet en jansenist Bresson gaf de toeschouwer liefst niet de kans zich te identificeren met iets anders dan de door de regisseur geconstrueerde, zuivere 'faits et gestes'.

Terwijl Hitchcock zijn door een strenge katholieke opvoeding gevoede sadomasochisme maskeerde met 'sick jokes', hedonisme en de zoete smaak van succes, verkoos Bresson het isolement: ongenaakbaar en onbenaderbaar als persoon, impopulair als filmmaker.

De kale, lege films van Bresson dwingen niet alleen in theorie respect af. Pickpocket (1959), de meest spectaculaire demonstratie van zijn opvattingen, werkt op mij als een magneet. Parijs is niet meer dan het plichtmatige decor voor de opkomst en ondergang van een door Dostojevski geïnspireerde student-zakkenroller, maar er bestaat nauwelijks een film waarin de essentie van de nog steeds negentiende-eeuwse stad zo voelbaar wordt. De logica van de zichzelf boven de wet plaatsende dief is onontkoombaar, zijn vingervlugheid sleept je mee in een fascinatie voor gebaren. Het handenballet, dat met sensuele bewegingen portefeuilles in en uit zakken laat glijden, kan wedijveren met de virtuositeit van de douchescène in Hitchcocks Psycho.

Het gaat er bij Bresson niet om wat de zakkenroller denkt of voelt, maar wat hij zegt en doet. De film constateert, demonstreert, poneert zonder duiding of lading. Bresson en enkele andere filmasceten (Ozu, Dreyer), die pas tot hun recht konden komen nadat de grammatica van het medium het brabbelstadium verlaten had, zijn niet geïnteresseerd in cinema als surrogaat voor de droom. Zij dwingen de kijker zijn ogen open te houden. Ik ben van ze gaan leren houden, zonder het genieten van andermans dromen (een MGM-musical, Vertigo) te verleren.