Nieuwe directeur Van Gogh Museum Leighton wekt grote verwachtingen; 'Het museum is er voor iedereen'

De Brit John Leighton is per 1 maart 1997 directeur van het Van Gogh Museum. Dat maakte maandag de Raad van Toezicht van het museum bekend. De conservator 19de-eeuwse schilderkunst van de National Gallery is verbaasd en vereerd.

AMSTERDAM, 23 OKTOBER. John Leighton moet zich een rariteit hebben gevoeld, een zeldzame diersoort die van alle kanten een zorgvuldige bezichtiging behoeft. Want gisteren maakte de pers in zo groten getale en in zo'n hoog tempo zijn opwachting in het Van Gogh Museum in Amsterdam, dat men zelfs even met hem te doen kreeg.

Hoe groot en hoe jong ziet die nieuwe directeur John Leighton eruit? Is hij vriendelijk, streng, charmant of verlegen? En wat maakt hem zo bijzonder dat hij alle werkende en niet-werkende kunsthistorici in dit land, inclusief een tiental potentiële kandidaten, achter zich wist te laten?

John Leighton is, inderdaad, jong, vriendelijk en vooral beweeglijk. Een rimpelloos gezicht dat onverhoeds kan schateren alsof er kattekwaad is uitgehaald. Er gaan weliswaar twee Leightons uit het postuur van de huidige directeur Ronald de Leeuw, maar daar staat nogal wat zelfspot tegenover. Het is 'a delight' zegt hij ernstig om hier straks te werken. Sterker nog, dit directeurschap is 'a tremendous honour'.

De staf van het Van Gogh Museum is trouwens niet minder verrukt: “een aimabele man, met veel ideeën die een fantastische directeur wordt”, aldus een woordvoerder. “Het is een breed gedragen, unanieme benoeming en we geloven heel erg in het welslagen van deze kandidaat”, zegt mevrouw T.M. Lodder, directeur van de Nederlandse Opera, en woordvoerster namens de Raad van Toezicht van het Van Gogh Museum.

De vijf raadsleden, mede geadviseerd door de huidige museumdirecteur Ronald de Leeuw, oriënteerden zich zo breed mogelijk alvorens een 'shortlist' van tien kandidaten op te stellen. “Dat we niet voor een Nederlandse directeur hebben gekozen is opmerkelijk”, meent Lodder. “Je zou hier moeten kunnen putten uit een natuurlijk reservoir. Er is hier weliswaar veelbelovend talent, ook in het Van Gogh Museum zelf, en als deze benoeming later had gespeeld, zou dat ook zeker aan de eisen hebben voldaan, maar nu was het nog niet zo ver. Toch vraag je je af hoe het komt het dat dat reservoir niet vanzelfsprekend aanwezig is en daarover hebben we inmiddels ook met de staatssecretaris gesproken. Blijkbaar schort het in onze musea aan scouting in managementtaken.”

Afgelopen vrijdag kreeg Leighton uitsluitsel over zijn benoeming - “ik ben nu nog steeds verbaasd” - , en dat was reden om onmiddellijk naar een Londense leraar Nederlands te zoeken. Nee, hij is geen familie van Lord Frederic Leighton (1830-1896), een classicistische, maar vooral sentimentele schilder, die bij leven zeer geroemd werd, als eerste schilder zelfs geridderd, maar na zijn dood volstrekt verguisd. “Nu hij vanuit de totale vergetelheid weer opduikt, moet ik die vermeende connectie toch eens serieus gaan uitzoeken”, lacht de andere Leighton, die zijn zoon stomtoevallig Frederic noemde en zijn dochter Alexandra, naar de oudste zuster van die verguisde meester, zo bleek later. “Mijn vrouw is conservator bij de Guildhall Art Gallery in Londen, en, het klinkt misschien saai, maar bij ons thuis staan ook nog eens voornamelijk boeken over kunstgeschiedenis in de kasten.”

Leighton, sinds 1986 conservator 19de-eeuwse schilderkunst bij de National Gallery, komt uit een familie van architecten. “Mijn vader is zowel architect als componist en mijn broer en schoonzuster zijn eveneens architecten. Gesteund door mijn ouders, ben ik kunstgeschiedenis gaan studeren nadat ik al snel had ontdekt dat in mij geen volgende Picasso schuilging.

“Zoals vele mensen kwam ik uit belangstelling voor de impressionisten, toch de meest toegankelijke schilders, in de kunstgeschiedenis en de musea terecht. Ik schilderde zelf trouwens ook figuratief, nogal academisch, afschuwelijk werk dat we verder maar buiten beschouwing moeten laten. Maar in die schilderperiode hield ik me toch voornamelijk bezig met de 20ste eeuw, ik zocht voorbeelden die overeenkwamen met wat ik zelf maakte. Uiteindelijk ben ik als kunsthistoricus afgestudeerd op Cézanne, wiens werk de 19de en 20ste eeuw overbrugt.”

Over zijn nieuwe werkgever laat Leighton geen onvertogen woord vallen. Directeur De Leeuw heeft het museum de afgelopen tien jaar internationaal op de kaart gezet, zoveel is zeker. “We houden dit museum vanuit Londen al jaren nauwlettend in de gaten. Wat maken ze nou weer? De verrassende tentoonstellingen die de staf hier durft te presenteren, over Puvis de Chavannes en Franz von Stuck, over 19de-eeuwse omlijstingen en de huidige expositie van polychrome sculpturen, vallen buiten de gebaande paden. Deze museumstaf heeft verbluffend knap pionierswerk verricht. Ik hoop dat inventieve beleid te kunnen continueren en de activiteiten te consolideren. En mijn basisfilosofie blijft: het museum is er voor iedereen.”

In de National Gallery tekende Leighton voor fijnmazige tentoonstellingen over Caspar David Friedrich en Manet en dit jaar voor twee, zeer enthousiast ontvangen exposities met het late werk van Degas. Voelt Leighton zich met name tot deze laatstgenoemde Franse zonderling aangetrokken? “Degas maakte dat onbekend gebleven werk uit een houding van 'het kan me niet meer schelen wat men ervan vindt. Ik doe het gewoon, ze bekijken het maar'. Het houdt je op een afstand, het laat moeilijk van zich houden. Cézanne werkte met zijn Baadsters toe naar een apotheose, naar de triomf van de onsterfelijkheid. Degas werd uiteindelijk een gedesillusioneerd, gefrustreerd man. Wij wilden laten zien dat het met dat late, niet interessant bevonden werk nogal meeviel.”

Een van de tentoonstellingen die de National Gallery niet heeft kunnen realiseren beslaat de 19de-eeuwse Amerikaanse schilderkunst. Op de vraag of het Van Gogh Museum nu zo'n overzicht wacht, antwoordt Leighton voorzichtig dat uit het internationale circuit straks wellicht zo'n tentoonstelling kan worden overgenomen. Eerst wil hij zich inwerken. Hij kent weliswaar al menig conservator in Amsterdam, maar de structuur van het museum is hem nog vreemd evenals Nederland Museumland. En dan staat hem natuurlijk de uitbreiding van het museum te wachten, maar daarover graag later meer.

Houdt hij eigenlijk van het werk van Vincent van Gogh? “Ja, natuurlijk houd ik van Van Gogh. Hij wordt nog steeds ondergeschat. Ik heb het niet over zijn roem, maar over zijn intellect. Een helder denker, die alsmaar naar verschillende wegen zocht om zich uit te drukken. Zijn werk wordt in dit museum op een bijna discrete manier gepresenteerd, met een aantal summiere biografische gegevens, zodat het volledig voor zichzelf spreekt.”

Wie de collectie sculpturen van het museum bescheiden noemt, krijgt er meteen van langs: “Dan moet u maar eens goed om u heen kijken”. Of een hier omstreden museum voor de 19de eeuw wenselijk is, durft Leighton te betwijfelen. “Want het Van Gogh Museum is zo slim geweest zich niet te beperken tot Van Gogh en zijn tijdgenoten, maar zich ook te richten op wat eraan voorafging, zoals het realisme van Courbet.” En over het aanwinstenbeleid mag eveneens geen kwaad woord vallen. Vooral over dat volle, brutale naakt, dat vanuit de satijnen kussens de toeschouwer aankijkt alsof het zeggen wil 'had je wat?' - een net verworven prachtdoek van de onbekende Gustave Boulanger (1824-1888) - is Leighton zeer opgetogen: “Straks moet u er nog eens een keer langslopen!”

Overigens wil Leighton graag blijven schrijven. Aan heldere, zeer deskundige publicaties over Manet en de werkwijze van de impressionisten dankt hij een groot deel van zijn internationale reputatie. “Ja, De Leeuw heeft dat ook gedaan en ik zal daar ook hoe dan ook tijd voor vinden.”