Mythische mannen van staal

Kinderen van gietijzeren goden (Vasistenek gyermekei). Regie: Tamás Tóth. Met: Jevgeni Sidichin, Michail Goloebovitsj, Joeri Klobodenjoek. In: Amsterdam, Nederlands Filmmuseum.

Films die zelfs te klein en te moeilijk zijn voor vertoning in de filmhuizen vinden met ingang van dit seizoen soms onderdak in het Nederlands Filmmuseum, dat besloot zulke winkeldochters te programmeren in weekvertoningen. In het geval van de Russisch-Hongaarse coproduktie Kinderen van gietijzeren goden (Vasistenek gyermekei), in 1993 geregisseerd door de toen 27-jarige debutant Tamás Tóth, valt goed te begrijpen dat geen enkel filmtheater er eer mee kon inleggen. In visionaire, ontkleurde beelden schildert de vanaf het begin van de jaren tachtig in Rusland wonende, aan de Moskouse filmschool VGIK opgeleide Hongaar Tóth een impressie van de hel, gesitueerd in het nabij de Oeral gelegen oude industriebekken van Basjkirië. Aan het begin klimt de hoofdpersoon uit die hel van stalen pijpen, rook en roet naar de buitenlucht, oprijzend als een mythische figuur. Veel verhaal bevat de voornamelijk door mannen van ijzer bevolkte film niet. Er worden wat schapen gestolen van herders; een treinroof, gefilmd in de beste westerntraditie, voorziet eveneens in de eerste levensbehoeften van de arme kerels. Een ander hoogtepunt in de actie vormt het gevecht met blote knuisten tussen de kampioen van de mijnwerkers en die van de staalarbeiders, en zou niet misstaan hebben in een knokfilm met Jean-Claude Van Damme. Vrouwen spelen in deze film ook letterlijk een ondergeschikte rol. Het beeldidioom van Tóth hangt ergens tussen slappe aftreksels van Andrej Tarkovski en Béla Tarr in.

Mooi is het af en toe wel, als je van extreme troosteloosheid houdt, maar origineel zelden. Je kunt je afvragen of het met subsidie importeren en vertonen van zo'n film een wezenlijke bijdrage vormt aan de in Nederland toch al zo rijk geschakeerde filmdistributiecultuur.