Minister oneens met nota; Melkert-baan helpt armoede niet bestrijden

DEN HAAG, 23 OKT. Gesubsidieerde banen, zoals de Melkert-banen, dragen niet bij tot bestrijding van de armoede. Dit blijkt uit de nota 'Arm Nederland', het eerste jaarrapport over armoede in Nederland, die gisteren is aangeboden aan minister Melkert (Sociale Zaken).

Volgens de opstellers van de nota, wetenschappers van het Sociaal Cultureel Planbureau en de Universiteit van Utrecht, levert een Melkert-baan een kostwinner geen extra inkomen op, omdat een dergelijke baan op het niveau van het minimumloon ligt. Ook komt van doorstroming naar een echte baan weinig terecht, menen de onderzoekers. Wel kan een Melkert-baan bijdragen tot het doorbreken van het sociaal isolement van een werkloze.

Melkert is het volledig oneens met de conclusies van de nota die in opdracht van de bewindsman is gemaakt. Hij vindt dat de onderzoekers zich hebben laten meeslepen door het denkbeeld dat werk voor een uitkeringsgerechtigde niet loont. “Feitelijk onjuist en als strategie voor armoedebestrijding verwerpelijk”, oordeelde Melkert. “De minister heeft een vrij zonnig beeld van de betekenis van Melkert-banen”, reageerde prof. G. Engbersen die het onderzoek heeft geleid. “Wij zijn wat sceptischer.”

Uit de nota blijkt dat het niet hebben van werk sterk met armoede samenhangt: in 83 procent van de huishoudens die op of rond het sociaal minimum leven heeft niemand werk. De afgelopen tien jaar is het aantal arme huishoudens weliswaar afgenomen, de intensiteit van de armoede is nam wel toe. In 1991 hadden zo'n 22.000 huishoudens onvoldoende te eten, konden 43.000 niet dagelijks een warme maaltijd op tafel zetten en hadden 160.000 huishoudens onvoldoende verwarming bij koude.

Uit 'Arm Nederland' blijkt dat vier á vijf procent van de bevolking moet rondkomen van een inkomen onder het sociaal minimum en zeven à negen procent rondom dat niveau zit. Dit minimum komt overeen met een bijstandsuitkering voor een alleenstaande (976,81 gulden), zeventig procent van het minimumloon. De onderzoekers schatten dat van de bijna zes miljoen huishoudens er tussen de 657.000 tot 915.000 onder of rond het minimum zitten.

Volgens J. Vrooman van het Sociaal Cultureel Planbureau is de helft van de armoede in Nederland te verklaren uit het niet gebruik maken van voorzieningen waarop de arme wel recht heeft, zoals huursubsidie, aanvullende bijstand en verschillende lokale subsidies en kwijtscheldingsregelingen. De reden daarvoor is deels onbekendheid met het bestaan van dergelijke voorzieningen. Verder spelen volgens Vrooman ook trots en schaamte een rol. Trots omdat mensen niet afhankelijk willen zijn van een voorziening, schaamte omdat het doen van een beroep op een voorziening stigmatiseert.

De onderzoekers constateren dat mensen met een laag inkomen gemakkelijk in de schulden raken, omdat ze slecht met geld om kunnen gaan en wegens een slechte betalingsmoraal. Jaarlijks krijgt één op de zes huishoudens met een minimum-inkomen te maken met beslaglegging op het inkomen, met name op de bijstanduitkering. Voor zo'n 6.000 huishoudens dreigt uitzetting uit de woning.

De onderzoekers zullen nader onderzoek doen naar de oorzaken van armoede, de relatie tussen armoede en criminaliteit.