Koning braveert Belgische volkswoede

Koning Albert, zo schreven de Belgische staatkundige publicisten Luc Neuckermans en Pol van den Driessche vorig jaar in hun boek over de opvolger van koning Boudewijn, “is het beste wat België kon overkomen”. De consensus die zij onder vrienden, hoffunctionarissen en politici van allerlei richting optekenden, luidde: “De geschikte man om als constitutioneel monarch het gelaat van België mee te bepalen aan de vooravond van de eenentwintigste eeuw”.

Ze schetsten de nieuwe koning der Belgen als een pragmatische geest, die niet bang was zich met vrijmoedige ongedwongenheid met de politiek in te laten en die niet erfelijk belast was met de loodzware ernst waaronder zijn betreurde broer had geleden. Albert zou van zich doen spreken door ongebruikelijke initiatieven.

En Albert heeft van zich doen spreken: al eerder in zijn ondogmatische benadering van het staatkundige federalisme, vorige week door zijn onbewimpelde kritiek op de Belgische regering, waarvan hij overigens zelf een onlosmakelijk deel vormt.

In de Belgische politiek heeft de constitutionele regel van de ministeriële verantwoordelijkheid voor het openbare optreden van de koning een enigszins andere werking dan in de Nederlandse staatkunde. Koning Albert II doet krachtens zijn grondwettelijke plicht veel in overleg met premier Dehaene, maar lang niet alles.

Soms legt hij werkbezoeken af of verleent hij audiënties waarover de Eerste Minister niet vooraf is ingelicht. Koning Boudewijn deed dat ook en zijn ministers beklaagden zich daar nooit over. Dehaene en zijn voorganger Martens verdroegen die koninklijke anarchie met Belgisch gemak even laconiek als ontspannen. Meer dan eens heeft premier Dehaene ook gevoeliger liggende stappen van de koning uit de krant moeten vernemen, maar altijd hield zijn onverstoorbaarheid stand.

“Het gebeurt zelden”, zei Dehaene vorig jaar tegen Neuckermans en Van den Driessche, “dat het Paleis mij [over zulke zaken] echt polst. Er bestaat een vertrouwensrelatie, waarbij wederzijds al eens een risico wordt genomen” (in hun boek: Albert II, koning na Boudewijn, Leuven, 1995).

Of dat laatste altijd met dezelfde gemoedelijkheid gebeurt, is geenszins zeker, maar vaststaat, dat Albert en Dehaene in hun onderlinge verkeer zelden amok maken, voornamelijk doordat Dehaene veel over zijn kant laat gaan en aan de koning, op grond van traditie en eigen irenische natuur, tamelijk veel initiatief toestaat.

Het gesprek dat koning Albert vorige week met de ouders van vermiste en vermoorde Belgische kinderen voerde, was een ruim uitgevallen initiatief, zoals de Belgen nog niet eerder hadden meegemaakt. Het was niet alleen een opmerkelijk initiatief omdat de koning in het openbaar kritiek uitte op het falen van de Belgische overheid in de zaak-Dutroux, maar vooral omdat het de marge aangaf waarbinnen het koningschap in de Belgische staatkunde eigen handelingsruimte heeft. Aanschouwelijker onderwijs in staatsinrichting kon geen mens bedenken.

Hier dramatiseerde de koning publiekelijk het begrip 'regering' in zijn volle constitutionele betekenis. Koning en ministers: twee organen van de Kroon die samen de regering vormen. Het ene (ministers): het profane deel van de regering dat politiek verantwoordelijk is voor het regeringsbeleid en in het parlement de klappen moet opvangen; het andere (de koning): het verheven deel van de regering, dat niet verantwoordelijk is (onschendbaar) en zich niet in de politieke strijd mengt.

Dat de Belgische koning niettemin het strijdperk opzocht en even op de rand van de politieke gevarenzone balanceerde, was het uitvloeisel van een beredeneerde werkverdeling in de boezem van de regering. De politiek (ministers en Kamerleden) was tijdelijk ondergedoken, onmachtig de woede van het morrende volk te weerstaan, maar de koning bleef op zijn post. Als officier van piket nam de koning de dienst waar en haalde voor de politiek de kastanjes uit het vuur.

Hij kon dat doen omdat hij een schoon blazoen had. Als hoofd van de regering droeg Albert weliswaar morele medeverantwoordelijkheid voor het falende beleid, maar als het verheven deel van de regering was hij de enige regeringsfiguur in wie het door de justitie geschokte publiek nog vertrouwen had.

Albert kraakte een harde noot over de laksheid die de Belgische overheid in de zaak-Dutroux getoond heeft, maar op die uitschieter na bleef hij overigens in zijn 'unieke' toespraak ruimschoots binnen de grenzen van zijn recht om aan te sporen - overeenkomstig de koninklijke kerntaken, die ook in het koninkrijk België de 'drie rechten'-formule van Bagehot volgen: het recht te worden geraadpleegd, het recht om aan te moedigen en het recht om te waarschuwen.

Albert gedroeg zich in dat opzicht zuiver in de leer: zijn toespraak bestond voornamelijk uit oproepen (“Ik roep de bevolking op de politie te helpen”) en aansporingen (“Ik spoor u aan de aandacht van de ganse natie te vestigen op al wat in onze samenleving moet veranderen opdat de veiligheid en de waardigheid van onze kinderen overal verzekerd zijn”).

Zijn laatste oproep - om de strijd voor hervorming van de justitie voort te zetten - was eveneens geheel volgens Bagehot, maar niet zonder haken en ogen. De Belgische hoogleraar en grondwetsdeskundige Marc Vandewijngaard heeft al gewezen op de gevaren die de koning bedreigen als de hervormingen waartoe hij heeft opgeroepen, uitblijven en “de vorst de bevolking teleurstelt”. Dan deelt ook de koning in de algemene malaise, ten koste van zijn koninklijk gezag.

Want dat is het risico dat de Belgische koning loopt met zijn kritiek op de politiek. Zolang hij de druk op de ketel kan houden, is zijn goodwill verzekerd, maar als de politiek in gebreke blijft de bestelde goederen af te leveren, kunnen zijn initiatieven hem als een boemerang tegemoet vliegen.