Het internationale midden

NEW YORK. Het schouwspel dat presidentskandidaat Dole in de laatste weken van de campagne opvoert, doet denken aan George Bush, vier jaar geleden, in de finale van zijn politieke en persoonlijke worsteling. Er kan nog altijd een wonder gebeuren, zegt men dan, maar zolang dat uitblijft, is Dole tragischer.

Bush had per slot van rekening vier jaar presidentschap achter de rug en ging de campagne in als de triomfator van de Golfoorlog; historische verworvenheden die niemand hem kan afnemen. Dole, 73 jaar, zou nog aan de bekroning van zijn loopbaan moeten beginnen.

De grote overeenkomst tussen beide heren op zekere leeftijd is dat ze een tegenstander hebben die ze diep in hun hart een blaaskaak en een snotneus vinden. Afgezien daarvan had Bush het betrekkelijk gemakkelijk moeten hebben tegen iemand die toen al opereerde met de geur van persoonlijke schandalen om zich heen. Die schandalen zijn op de achtergrond geraakt; andere verwikkelingen die misschien iets schandaalachtigs hebben zijn ervoor in de plaats gekomen. Het blijkt Clinton geen afbreuk te doen. Wat toen bleef en nu blijft, is de minachting van de Republikeinse kandidaat voor de tegenstander.

Vier jaar geleden omstreeks deze tijd zakte de aanhang van Bush in de uitslagen van de opiniepeilingen; nu overkomt Dole hetzelfde. Toen nam het Republikeinse kamp zijn toevlucht tot de 'aanvalspropaganda' - het unverfroren zwartmaken van de vijand, en nu maakt Dole deze noodsprong. De tactiek van de wanhoop verenigt zich met de persoonlijke gevoelens van de kandidaat. Dat levert onthullende taferelen op, maar de kiezers hebben er geen zin in. Persoonlijke smaak is iets anders dan een politiek programma. Na nauwelijks een week blijkt dat de aanvalstactiek van Dole het averechts resultaat heeft, terwijl Clinton, die consequent elke uitnodiging tot een tegenaanval negeert, zijn positie verbetert. Dit schouwspel van de 73-jarige die tegen de bierkaai vecht zonder te begrijpen waarom het de bierkaai is, heeft iets tragisch.

Elk land heeft in zijn binnenlandse politiek de franje van de extremen die nationaal verschillen, maar de grote nationale middens van het Westen gaan onderling steeds meer op elkaar lijken. Nieuw is het niet. In Nederland heeft Jacques de Kadt al vroeg deze 'internationale van het midden' herkend. Door alle historische ontwikkelingen heen - de Koude Oorlog en zijn einde, de veranderingen in de produktieprocessen, het 'wegvallen van de grenzen' - zijn deze nationale middens steeds gelijkvormiger geworden, in hun manier van denken, hun verwachtingen, de kijk op hun bestaan.

Of dit grote midden het moreel of ideëel bij het rechte eind heeft, is niet de vraag waarom het hier draait. Het is een verschijnsel dat zich aan de normen van de ideologie onttrekt. Steeds verder is de nationale franje in deze ontwikkeling achtergebleven. Dat is de factor die telt voor degenen die politieke macht ambiëren.

Naarmate een politicus zich meer vereenzelvigt met de franje, laadt hij een zwaardere hypotheek op zich: verplicht zich tot de verdediging van belangen die op zijn best het midden niet aangaan, en op zijn slechtst het midden frustreren. De praktische vraag is, waarom een politicus die naar een plaats in de nationale top streeft, zich dan toch hypothecair laat belasten door groepen die hem alleen nadeel kunnen berokkenen. Dat is, dunkt mij, het raadsel van het dwangmatig handelen in de politiek. In het geval van Dole bijvoorbeeld: het niet voldoende afstand nemen van de National Rifle Association (NRA), de lobby die voor de vrije verkoop van zoveel mogelijk vuurwapens op de bres staat. Misschien vier of acht jaar geleden was het voor een presidentskandidaat nog tot op zekere hoogte verstandig geweest, deze vereniging te vriend te houden. Nu is de NRA onmiskenbaar op de terugtocht, en het is een belang van het grote midden dat daarin geen verandering meer komt.

Niet alleen in de Verenigde Staten, overal in het Westen heeft het midden de wind mee. De verzorgingsstaten worden gesnoeid. Dat gebeurt tot behoud van de economische levenskracht van het midden. Het vergt een moeilijke overgangstijd maar, luidt de theorie, als die eenmaal voorbij is, zullen ook degenen die er het meest van te lijden hadden weer profiteren. In Amerika groeit de werkgelegenheid nog steeds, het particuliere huizenbezit neemt toe en de misdadigheid af. De Amrikaanse droom komt weer wat dichter bij de verwezenlijking.

Heeft men onder deze omstandigheden een groot leider nodig, iemand met charisma en een halve eeuw ervaring? Het gaat juist goed met iemand die helemaal geen leidersallure of charisma heeft en nauwelijks een kwart eeuw ervaring. Onder deze omstandigheden is iemand als Bob Dole een onherstelbare vertegenwoordiger van een ancien régime dat niet meer op de maatschappij van het moderne midden past. Zelfs Ronald Reagan zou het in 1996 nog niet gemakkelijk hebben gehad.

De internationale van het midden heeft geen behoefte aan charismatisch leiderschap dat betere tijden in het vooruitzicht stelt. Voor de meerderheid van de kiezers zijn de betere tijden al aangebroken. Dat verklaart de kalmte, zoniet de relatieve dufheid van deze campagne. De meerderheid van het midden herkent zich in Bill Clinton en vindt dat goed genoeg.