Gebruik proefdieren loopt sterk terug

UTRECHT, 23 OKT. Jaarlijks worden in de hele wereld circa 100 miljoen gewervelde dieren gebruikt voor onderzoek. Daarvan neemt het bedrijfsleven globaal eenderde voor zijn rekening, onderzoeksinstituten en instellingen voor wetenschappelijk onderwijs de rest. Op grond van morele, en zeker ook economische overwegingen moet het komen tot een forse reductie van die aantallen.

Deze week wordt in Utrecht het tweede wereldcongres gehouden over mogelijke alternatieven voor die dierproeven.

Professor dr. L.F.M. van Zutphen, hoogleraar proefdierkunde aan de Utrechtse universiteit en medevoorzitter van het wereldcongres, schat de jaarlijkse kosten van proefdieronderzoek in Nederland op 1,2 miljard gulden. Rond 400 miljoen komt voor rekening van het bedrijfsleven. “Het gaat daarbij niet alleen om de ontwikkeling van farmaceutische preparaten, maar bijvoorbeeld ook om het testen van huishoudelijke produkten, schoonmaakmiddelen, verfstoffen, speelgoed, cosmetica, zeep, pesticiden, onkruidbestrijders, voedingsadditieven of kleurstoffen,” zegt Van Zutphen.

Met die proeven houden zich alleen al in Nederland naar schatting 2.500 onderzoekers bezig. Een ongeveer even groot aantal mensen is direct betrokken bij de behandeling of verzorging van deze proefdieren. “Dat aantal mag je verdubbelen doordat een zeer grote groep 'in de tweede lijn' betrokken is bij proefdieronderzoek, van administratie tot transport. Je kunt er van uitgaan dat circa 10.000 mensen op de een of andere manier betrokken zijn bij proefdieronderzoek. En dat is dan nog een voorzichtige schatting.”

Ongeveer een kwart van alle dierproeven wordt gebruikt voor farmacologisch onderzoek, vijftien tot twintig procent voor de ontwikkeling van sera en vaccins, de rest voor de ontwikkeling van andere produkten, het testen van schadelijkheid van stoffen of voor onderzoek naar de oorzaken van ziekten.

Omdat proefdieronderzoek bij grote delen van de bevolking op morele bedenkingen stuit, was Nederland eind jaren zeventig het tweede land ter wereld waar wetgeving voor de bescherming van proefdieren werd aangenomen en waar werd begonnen met de registratie van het aantal gebruikte dieren.

“Sinds die tijd kun je spreken van een aanzienlijke reductie”, zegt Van Zutphen. “Begin jaren tachtig werden in Nederland nog 1,3 miljoen gewervelde dieren voor onderzoek gebruikt, dat aantal ligt nu op ongeveer 750.000. Ik denk dat dit ook voor een belangrijk deel kan worden toegeschreven aan betere opleiding van onderzoekers. Onderzoekers die dergelijke proeven moeten gaan doen krijgen eerst - als onderdeel van een biomedische opleiding - een drie weken durende cursus, waarbij de 'Drie V's' centraal staan. Waar dat mogelijk is moeten proeven worden verminderd, vervangen of verfijnd. Er zijn tot nu toe zo'n 3.000 mensen op deze wijze opgeleid en dat werpt kennelijk vruchten af. En ondanks de reductie van het aantal dieren, zie je dat de kwaliteit van het onderzoek is toegenomen.”

Naast die verbeterde opleiding zal ook de onlangs verscherpte wetgeving verder invloed hebben gehad op de vermindering van het aantal proefdieren. “Die is tamelijk stringent en eist nu bijvoorbeeld dat voor elk onderzoeksvoorstel door een ethische commissie toestemming wordt gegeven. Zodoende wordt de drempel verhoogd. Grotere bedrijven en instituten kennen overigens al geruime tijd zo'n commissie. Die commissies stimuleren ook sterk het gebruik van alternatieven.”

Nederland telt 85 tot honderd bedrijven of instellingen die vergunning hebben voor het doen van proefdieronderzoek, tien daarvan mogen tot de echt grote worden gerekend, zoals Organon, Duphar en Intervet. Bij de rest moet worden gedacht aan streekziekenhuizen of laboratoriumscholen.

Veruit de meeste proefdieren - zo'n 75 procent - zijn knaagdieren, zoals muizen en ratten en in mindere mate cavia's en konijnen. Tien procent zijn vissen, nog eens tien procent zijn vogels. Bij de overige vijf procent gaat het om honden, katten, apen (primaten), varkens en schapen.

Per jaar werden ongeveer 14.000 van die dieren tot nu toe onderworpen aan wellicht de meest gewraakte proef, de zogeheten LD 50/LC 50. De afkorting staat voor letale dosis of letale concentratie. De proef komt er op neer dat een aantal proefdieren een progressieve dosis van een stof wordt gegeven om vast te stellen bij welke dosis de helft er aan sterft. Dat moet een beeld geven van de mogelijke schadelijkheid van een stof.

De plicht tot het doen van deze test is nu door een wetswijziging komen te vervallen, sterker: zij zijn verboden. Nederland heeft die maatregel als eerste genomen. De proef heeft plaats gemaakt voor twee alternatieven, die door de OESO zijn aanbevolen. De OESO is voor veel landen een autoriteit voor het vaststellen van richtlijnen.

“Het ene alternatief - de fixed dose-procedure - houdt in dat vier groepen van zes dieren worden blootgesteld aan vier van tevoren vastgestelde doses. De proef wordt gestaakt als bij een van deze doses vergiftigingsverschijnselen optreden. Die indicatie wordt nu in het algemeen als voldoende beschouwd. Daarnaast is er het alternatief van de acute toxic class-bepaling. Daarbij worden drie dieren aan drie verschillende doses blootgesteld.

Op grond van die proef kan een stof in vier categorieën worden ingedeeld: onschadelijk, schadelijk, giftig en sterk giftig. Het verbod op de LD/LC 50 geldt voor inwendig gebruik. Voor tests op de huid of voor inademen is voorlopig nog een vrijstelling gegeven. Bij meer dan tachtig procent van deze tests gaat het overigens om orale inname”, aldus Van Zutphen. “Ik schat dat het aantal voor dit doel gebruikte proefdieren door het verbod en de alternatieven tot meer dan de helft kan worden teruggebracht. Behalve een 'ethische vooruitgang' betekent dit natuurlijk ook een duidelijke kostenreductie voor bedrijven.”

Het zoeken naar alternatieven voor proefdieronderzoek vindt op steeds uitgebreidere schaal plaats. “Een nieuwe ontwikkeling is bijvoorbeeld het onderzoek op menselijk weefsel, dat door ziekenhuizen als afval wordt verwijderd. Ook transgene dieren kunnen soms een beter proefmodel voor de mens opleveren. Als je direct kunt zien wat voor effect een stof op de mens heeft, zullen er immers minder proefdieren nodig zijn. Het Europees Parlement heeft per 1 januari 1998 dierproeven voor cosmetica voor zover daar alternatieven voor bestaan, verboden. Ook heeft het Europees Parlement ingestemd met de oprichting van het European Centre foor Validation of Alternative Methods. Dat is een geweldige stimulans voor het onderzoek naar alternatieven”, zegt Van Zutphen.

Hij wijst er verder op dat ook van automatisering een positieve invloed kan worden verwacht. “Als je bestaande databanken aan elkaar koppelt, zodat onderzoekers sneller kunnen achterhalen of bepaalde proeven al eerder zijn gedaan of welke technieken het meest succesvol zijn, kan dit proefdierbesparend werken. Wij zijn daar in Utrecht al een heel eind mee. Maar de computer zelf kan ook worden gebruikt om de effecten van bepaalde stoffen te voorspellen zonder een proef te hoeven doen. Die quantitative structure activity relationships kun je de computer in een aantal gevallen laten uitrekenen, zodat je daarvoor niet het laboratorium in hoeft.”

De ontwikkelingen in de biotechnologie ten slotte, kunnen ook in het proefdiergebruik een doorbraak betekenen. Als spin-off van het biotechnologie-onderzoek blijkt bijvoorbeeld dat je veel stoffen kunt produceren via recombinant DNA-technologie. Deze ontwikkeling kan geweldige gevolgen hebben voor het proefdiergebruik.''