Een bizar huwelijksleven

Angels and Insects. Regie: Philip Haas. Met: Mark Rylance, Patsy Kensit, Jeremy Kemp, Kristin Scott-Thomas. In Amsterdam, Cinecenter.

Angels and Insects, de tweede literatuurverfilming van voormalig documentairemaker Philip Haas, kan eigenlijk niet zonder de gelijknamige novelle van A.S. Byatt. Het verhaal is zo rijk aan literaire, freudiaanse en visuele verwijzingen dat het lastig is ze allemaal te onthouden tot het moment van de ontknoping. Na het zien van de film wil je ze nazoeken.

Angels and Insects speelt in Victoriaans Engeland. De nogal saaie bioloog William Adamson (Mark Rylance) komt berooid terug van een wetenschappelijke reis in de Amazone. Hij wordt opgenomen in de rijke familie van dominee Harald Alabaster (Jeremy Kemp). Onmiddellijk valt hij voor de oudste dochter Eugenia (Patsy Kensit), die hij vanwege zijn nederige afkomst als onbereikbaar beschouwt.

Tot zijn grote verbazing accepteert Eugenia zijn met veel beleefd voorbehoud geformuleerde huwelijksaanzoek, waarna zich een bizar huwelijksleven voltrekt dat door Eugenia strikt geregisseerd wordt. Zij blijkt, in de schaarse momenten dat zij hem in haar slaapkamer toelaat, aanzienlijk minder engelachtig dan haar echtgenoot aanvankelijk dacht. Buiten het bed negeert ze haar man.

Adamson wijdt zich dan maar aan de studie van een kolonie rode mieren. Het boek dat hij erover schrijft wordt de spiegel van zijn huwelijk. De uitdagende, perverse broer van Eugenia, Edgar (met zichtbaar plezier neergezet door Douglas Henshall) probeert hij op afstand te houden. Tevergeefs.

De vrouwen spelen in de familie Alabaster een hoofdrol. Zij zorgen voor nageslacht en voor de zuiverheid van de soort. In de aankleding van de film wordt dat duidelijk. De vrouwen dragen toiletten, de mannen moeten het doen met kleren. Als Eugenia naast haar aanstaande echtgenoot plaatsneemt in een avondjurk die haar tot een bleke maan verheft, drukt zij het kereltje bijna van de bank.

Het begin van de film is onderhoudend, maar vanaf de plotselinge wending halverwege de film is het verhaal pas echt intrigerend. De regisseur slaagt er uitstekend in vooruit te wijzen naar de geheimen van huize Alabaster, zonder ze te vroeg prijs te geven.

Het probleem zit hem vóór het moment suprème. Daar wreekt zich het literaire gehalte van de statige, negentiende-eeuwse zinnen, die het op papier zoveel beter doen. De cruciale monoloog van de dominee over de meedogenloze tijd die alles vermaalt, verdrinkt in ingewikkelde formuleringen. En was er niemand anders te vinden voor de rol van Adamson, die, traag en klein acterend, volledig wordt weggespeeld? Zijn verbaasde, bête uitdrukking hoort weliswaar bij zijn rol, maar gaat irriteren. Gelukkig is de intrige die Byatt in het verhaal heeft gelegd sterk genoeg om de film te dragen.