De ene allochtoon is de andere niet

Minderhedenbeleid bestrijdt achterstand bij etnische groepen in hun geheel. Maar binnen die groepen is niet iedereen gelijk, en het is daarom de vraag of zulk beleid niet meer kwaad dan goed doet, aldus Jack Burgers.

De afgelopen tijd is er in de media veel aandacht geweest voor een eventuele herijking van het Nederlandse minderhedenbeleid. De discussie spitste zich toe op de vraag of we het beleid zoals dat tot nu toe is gevoerd, moeten voortzetten. In het bijzonder kwam het punt van de positieve actie aan de orde. Ik ben van mening dat, niet in de laatste plaats in het belang van de minderheden zelf, het accent verlegd zou moeten worden van een afzonderlijk minderhedenbeleid naar een algemeen achterstandsbeleid. En er zijn ook goede argumenten om het middel van de positieve actie te heroverwegen.

Niemand zal kunnen bestrijden dat leden van minderheidsgroepen in onevenredige mate te kampen hebben met achterstanden op uiteenlopende maatschappelijke terreinen. Dat feit is inmiddels tot vervelens toe gedocumenteerd. Beleid zou evenwel op die achterstand gericht moeten zijn, en niet op bij voorbaat omschreven etnische categorieën.

Het minderhedenbeleid zoals dat tot nu toe gevoerd is loopt het gevaar te verstarren en te weinig rekening te houden met de dynamiek tussen en binnen minderheidsgroepen. Sommige groepen buitenlanders zijn inmiddels zo in de Nederlandse samenleving opgegaan dat extra aandacht niet meer nodig is. Is er iemand die nog wel eens iets hoort over de zogenaamde Noord-Mediterranen: Italianen, Spanjaarden etcetera?

De buitenlanders die de laatste jaren instroomden - voornamelijk vluchtelingen - hebben heel andere kenmerken en problemen dan de groepen waaraan we gewend waren: ex-gastarbeiders en voormalig rijksgenoten. Door uit te gaan van achterstandsbestrijding kunnen individuen en huishoudens die blijvend deel zullen gaan uitmaken van de Nederlandse samenleving worden geholpen zonder dat het nodig is steeds nieuwe aandachtsgroepen te omschrijven.

Niet alleen de dynamiek tussen verschillende etnische groepen, maar ook de dynamiek binnen die groepen is een argument voor een algemeen achterstandsbeleid. Gelukkig zijn er vele voorbeelden van succesvolle individuen binnen de traditionele minderheidsgroepen en is er sprake van een zekere middenklassevorming. Die differentiatie is van niet te onderschatten belang in het emancipatieproces van de groepen in kwestie. Kadervorming en rolmodellen zijn onontbeerlijke voorwaarden voor maatschappelijke integratie. Maar dat betekent ook dat er binnen die groepen steeds meer gemikt moet worden op de daadwerkelijk kansarmen.

Behalve dat een algemeen achterstandsbeleid inspeelt op de dynamiek tussen en binnen verschillende etnische groepen, zijn er nog twee andere voordelen aan verbonden. In de eerste plaats wordt het onbedoelde effect van labeling voorkomen - het verschijnsel dat alleen al het simpele feit dat bepaalde individuen en groepen op een bepaalde manier worden omschreven en aangeduid, op zichzelf effect heeft voor de wijze waarop die individuen en groepen handelen en door anderen worden tegemoetgetreden. In het geval van de minderheden is het zeker niet denkbeeldig dat juist de aandacht die zij krijgen op de arbeidsmarkt via het streven naar positieve actie bij potentiële werkgevers de indruk wekt dat alle leden van minderheidsgroepen slechts matig zijn geëquipeerd voor de arbeidsmarkt. Omgekeerd zijn lang niet alle leden van minderheidsgroepen gecharmeerd van het odium van zieligheid dat hen aankleeft op grond van het tot nu toe gevoerde minderhedenbeleid.

In de tweede plaats moet erop gewezen worden dat er in de achterstandswijken in de Nederlandse steden gedurende de laatste vijftien jaar sprake is van een toename van gevoelens van ressentiment onder autochtonen. Ik ben bang dat die gevoelens veel wijder verbreid zijn dan tot uiting komt in het aantal stemmen dat is uitgebracht op extreem rechts. Dat is een factor waarmee rekening moet worden gehouden. Niet omdat er gecapituleerd zou moeten worden voor de terreur van de straat, maar wel omdat het om een uiting gaat van een veel wijder verbreide aanwezigheid van moderne armoede dan we veelal geneigd zijn aan te nemen. Het aandeel laagopgeleide werklozen onder minderheidsgroepen is veel hoger dan dat onder de autochtone bevolking, maar in absolute termen is het aantal autochtone laagopgeleide werklozen groter dan dat van enige andere etnische groep. Een wijkgericht vormgegeven achterstandsbeleid waarin autochtonen en allochtonen gelijkelijk object van zorg zijn, zou niet alleen recht doen aan de in veel opzichten vergelijkbare positie van beide categorieën, maar ook een basis kunnen vormen voor het wegnemen van vooroordelen en een toename van wederzijds begrip en integratie.

En dan het hete hangijzer: positieve actie. In dit opzicht kunnen we iets leren van Amerikaanse ervaringen. Affirmative action kreeg in de Verenigde Staten het eerst gestalte in Nixons Philadelphia Plan uit 1969, waarbij bedrijven die opdrachten van de federale overheid kregen moesten laten zien dat zij zwarten als personeel recruteerden. De socioloog John Skrentny heeft in zijn boek The Ironies of Affirmative Action: Politics, Culture, and Justice in America laten zien dat een belangrijk effect van dat beleid een toegenomen ressentiment was van blanke ten opzichte van zwarte arbeiders. Wat klasse had kunnen verenigen, werd zo door ras verdeeld.

Tegenwoordig gaat de discussie in de Verenigde Staten vooral over de vraag welke minderheidsgroepen wel, en welke niet in aanmerking zouden moeten komen voor positieve actie. Spanningen doen zich in dit verband meer en meer voor tussen etnische minderheden onderling: Afro-Amerikanen, Hispanics, Aziaten etcetera. Positieve actie verdeelt ook in dit opzicht meer dan dat zij verenigt, zo lijkt het. Als het gaat om universiteiten is het inmiddels duidelijk dat affirmative action leidt tot bevoordeling van de meest kansrijken onder de minderheidsgroepen. Eén voorbeeld: van het totale aantal Afro-Amerikanen dat jaarlijks aan de universiteit van Princeton wordt toegelaten op grond van positieve actie, komt veertig procent uit een gezin waarvan een van beide ouders ook al aan Princeton gestudeerd heeft.

Recent heb ik in de stad Utrecht mogen bekijken wat er in de praktijk terechtkomt van positieve actie op de arbeidsmarkt. In de eerste plaats bleek dat er eigenlijk alleen lippendienst bewezen wordt aan het voorkeursbeleid. Iedereen neemt gewoon de beste kandidaat. In de tweede plaats moeten allochtonen die geheel op eigen kracht en kwaliteit een baan krijgen, steeds maar weer bewijzen dat zij daadwerkelijk gekwalificeerd zijn voor hun werk en niet louter op hun etnische herkomst zijn geselecteerd. In de derde plaats denken autochtonen volkomen ten onrechte dat allochtonen worden voorgetrokken als er werk beschikbaar is. Positieve actie lijkt in veel opzichten een fatale remedie.

De enig houdbare legitimatie voor een minderhedenbeleid lijkt mij het wegruimen van barrières voor maatschappelijke participatie die met buitenlandse herkomst verbonden zijn: discriminatie, taalachterstand, nieuwkomersproblematiek. In het verleden is de rol van etnische herkomst meer aangezet dan nodig en wenselijk is, ook voor leden van minderheidsgroepen zelf. De discussie over het minderhedenbeleid zou gebaat zijn bij een gedistantieerde analyse van doelstellingen en effecten van beleid. Emoties, gevestigde posities en belangen in minderhedenland en angst voor politieke incorrectheid vertroebelen het debat helaas in hoge mate.