Commotie om bouwvergunning Mijdrecht

De gemeente De Ronde Venen verkocht onderhands een bouwkavel aan een van haar topambtenaren. Dat leidde tot commotie, vooral toen Gedeputeerde Staten van Utrecht lucht van de zaak kregen.

DE RONDE VENEN, 23 OKT. De provincie Utrecht en de Inspectie voor Ruimtelijke Ordening stellen een onderzoek in naar de afgifte van bouwvergunningen in de gemeente De Ronde Venen sinds 1990. Honderden vergunningen zouden zijn verstrekt in strijd met de wet op de ruimtelijke ordening. Het onderzoek begonn nadat in de gemeenteraad commotie was ontstaan over de onderhandse verkoop van een bouwkavel aan de directeur van de gemeentelijke dienst Ruimte.

De Ronde Venen (33.000 inwoners), met als belangrijkste kernen Mijdrecht en Vinkeveen, is in trek bij mensen die net buiten Amsterdam willen wonen. Met uitzicht op het Groene Hart zijn in Mijdrecht vrije-sectorwijken als Molenland en Twistvlied verrezen.

Niet bekend

De onrust ontstond pas toen op de kavel een riante villa met bijbouw verrees. Na vragen in de raad bleek dat de bouw in strijd was met het bestemmingsplan, de bijbouw in strijd met de gemeentelijke regels en dat door de onderhandse verkoop andere belangstellenden waren gepasseerd.

Wethouder Tijsseling bestreed dat de directeur van de dienst Ruimte via kunstgrepen een goedkope bouwlocatie had bemachtigd. Tijsseling was zelf op het idee gekomen de topambtenaar voor de kavel te interesseren. De verkoop was onderhands gebeurd, omdat met de ambtenaar bij zijn aanstelling, vier jaar geleden, een verhuisplicht was overeengekomen.

De oppositiepartijen (PvdA, D66, Groen Links en Gemeentebelangen) waren niet overtuigd, maar hun motie van wantrouwen werd in september met ruime meerderheid verworpen. Niettemin bleef de stemming grimmig. Het raadslid H. Palm (RPF/SGP/GPV) sprak van een 'publiek volksgericht'.

Een punt van kritiek in de raad was ook de strijdigheid met het bestemmingsplan. Burgemeester D. Boogaard beriep zich op een geheime afspraak die in 1990 in commissieverband was gemaakt. Bouwplannen die op marginale wijze afweken van het bestemmingsplan, zou de gemeente zelf afhandelen. Zo kon volgens Boogaard een artikel-19-procedure via de provincie worden vermeden, waardoor legeskosten en tijd werden bespaard. Die afspraak was indertijd gemaakt met het oog op een “flexibel en klantvriendelijk beleid”, aldus de burgemeester.

Het college kreeg volop instemming van raadslid Dekker. De oppositiepartijen moesten niet zo'n heibel maken, want in voorgaande jaren waren in het kader van het klantvriendelijke beleid al zo'n 250 van dit soort gevallen gepasseerd, aldus Dekker.

Deze steunbetuiging van Dekker had een averechts effect. Gedeputeerde Staten kregen lucht van de zaak, met het huidige onderzoek als gevolg. “De zaak is toen uit de bocht gevlogen”, taxeert wethouder Tijsseling nu. Het aantal van 250 was slechts een grove schatting. In werkelijkheid gaat het om honderden vergunningen waarin de provincie niet is gekend, zegt Tijsseling. “Het overgrote deel betreft dakkapellen en schuurtjes in de tuin. Mijn motief is dat de gemeente een dienstverlenend bedrijf is. We zijn er voor de burger, maar wel volgens heldere regels. Ik denk dat we in de geest van de wet hebben gehandeld. Naar de punt en de komma zaten we fout.”

Het hoofd van de provinciale dienst Toetsing Gemeentelijke Plannen, R. Schulz, sluit niet uit dat het allemaal om “kruimelgevallen” gaat, waarbij het bestemmingsplan slechts marginaal is overschreden. “Maar ook dàn moeten we constateren dat de gemeente iets heeft gedaan, wat niet kan. Je zou je wel kunnen afvragen of de wet in die gevallen niet te stringent is.”