Clinton stapvoets vertrouwd geraakt met rol van wereldleider

In de bijna vier jaar van zijn presidentschap heeft Bill Clinton ontdekt dat geen Amerikaanse president de buitenlandse politiek kan verwaarlozen. Met vallen en opstaan heeft zijn regering geleerd op het internationale toneel de hoofdrol te spelen.

WASHINGTON, 22 OKT. Zelfs leden van de regering-Clinton, die in de aanloop naar de presidentsverkiezingen toch maar wat graag wijzen op de successen van het Amerikaanse buitenlandse beleid, erkennen dat er in de eerste twee jaar van Clintons regeerperiode een ernstig gebrek aan visie was op de Amerikaanse rol in de wereld.

Het eigen falen in de internationale arena werd onlangs opmerkelijk openhartig onder woorden gebracht door Warren Christopher, die als minister van Buitenlandse Zaken verantwoordelijk is voor dat beleid. “Ik wou dat we eerder beseft hadden hoe essentieel Amerikaans leiderschap is”, merkte hij op tegenover een journalist van The Washington Post. “Dat is iets dat we moesten leren, dat ons heel krachtig duidelijk gemaakt moest worden.”

De oorlog in Bosnië zou dat doen, maar pas in de zomer van 1995, toen er al honderdduizenden slachtoffers waren gevallen. Onder Amerikaanse aanvoering ging de NAVO toen over tot luchtaanvallen op Bosnisch-Servische stellingen. Onder Amerikaanse regie werd enkele maanden later het akkoord van Dayton gesloten. In de vredesmacht die onder leiding van de NAVO toezicht kwam houden op de uitvoering van dat akkoord, dienen 15.000 Amerikanen. De regering-Clinton had eindelijk de leidersrol geaccepteerd die de wereld na de Koude Oorlog nog steeds van de Verenigde Staten verwacht.

Een andere belangrijke speler in Clintons team van beleidsmakers op internationaal terrein, minister van defensie William Perry, karakteriseerde de late Amerikaanse bekering in Bosnië met een wrang citaat van Winston Churchill. “Je kunt er altijd op rekenen dat Amerika doet wat nodig is - als alle alternatieven zijn uitgeput.” Dat was een rake typering van Clintons plotselinge daadkracht in de zomer van 1995: afzijdig blijven in Bosnië was geen alternatief meer, want het voortduren van de oorlog zou tegen Clinton gebruikt kunnen worden in de Amerikaanse verkiezingscampagne, zeker als de Amerikanen dan ook nog genoodzaakt zouden worden hun toezegging na te komen om militairen te leveren voor de terugtrekking van de VN-troepen.

Na zijn aarzelende en zwalkende begin voelt president Clinton, die aantrad zonder ervaring op buitenlands politiek terrein, zich inmiddels voldoende zelfverzekerd om in zijn verkiezingscampagne te pronken met de resultaten die hij op diplomatiek terrein heeft geboekt. Het herstel van de democratie op Haïti, het vredesproces in het Midden-Oosten, het Dayton-akkoord voor Bosnië, het staakt het vuren voor Noord-Ierland - hoe breekbaar al die resultaten ook zijn, de president eist ze op als successen van zijn buitenlandse politiek.

Zoals zoveel presidenten vóór hem tracht hij op het internationale toneel het aanzien van een staatsman te verwerven dat hij in binnenlandse kwesties moet ontberen. Bij zijn aantreden beloofde hij zich “als een laserstraal” op binnenlandse problemen te zullen concentreren, maar nadat zijn hervormingsplan voor de gezondheidszorg was gesneuveld en vervolgens de Republikeinen beide huizen van het Congres hadden overgenomen, bleek de buitenlandse politiek een mooi terrein om zich op terug te trekken. Terwijl zijn rivaal Bob Dole blijft hameren op de obscure financiële giften die Clintons campagne heeft geaccepteerd, hield de president gisteren een toespraak over de toekomst van Europa, waarin hij voor het eerst 1999 noemde als het jaar waarin de NAVO moet worden uitgebreid met landen uit het voormalige Oostblok. Opiniepeilingen geven aan dat de Amerikaanse bevolking in meerderheid gelooft dat het buitenlands beleid bij Clinton in goede handen is.

Het leiderschap waar de president en zijn ministers tegenwoordig zo vaak over spreken, verschilt per situatie. De ene keer betekent het dat de Amerikanen daadwerkelijk het voortouw nemen bij diplomatieke of militaire actie, al dan niet in overleg met hun bondgenoten. Zo verdedigde Washington de Amerikaanse militaire reactie op Iraks inname van de Koerdische stad Arbil, dit najaar, als voorbeeld van Amerikaanse daadkracht - ook al deed het feit dat de Amerikanen verzuimd hadden de steun van een aantal belangrijke bondgenoten te verwerven, ernstig afbreuk aan de effectiviteit van de poging om de Iraakse leider Saddam Hussein te intimideren.

In veel andere gevallen behelst het Amerikaanse leiderschap niet veel meer dan de rol van een soort opper-bemiddelaar. Clinton wijst zijn landgenoten er regelmatig op dat de Verenigde Staten niet de “politie-agent van de wereld” kunnen of willen zijn. En ook voor de rest van de wereld moet dat inmiddels meer dan duidelijk zijn. De harde hand van de VS bestaat hooguit uit de invasie van het kleine Haïti nadat de militaire leiders al zijn afgetreden, of uit een paar dozijn kruisraketten afgevuurd op Iraakse installaties. Operaties die riskanter zijn voor de manschappen, kan de enige overgebleven supermacht zich kennelijk niet meer permitteren.

De onderkoelde jurist Christopher toont zich vaker de geduldige bemiddelaar dan de krachtige leider. Maar liefst 27 keer bezocht hij bijvoorbeeld de Syrische leider Assad, om hem te betrekken bij het vredesproces in het Midden-Oosten, terwijl hij slechts een enkel bezoek bracht aan de leiders van de grote en opkomende macht China. De betrekkingen met China waren ernstig afgekoeld nadat Clinton verbetering van de handelsbetrekkingen aanvankelijk had gekoppeld aan verbeteringen op het gebied van de mensenrechten in China. Later kwam de president daarop terug, maar nog altijd zijn de relaties koel.

De grootste vernedering op buitenlands terrein was het fiasco in Somalië. Daar lieten de regering-Clinton en de Verenigde Naties een humanitaire missie ontaarden in een militaire campagne tegen lokale milities. Achttien Amerikaanse militairen kwamen om het leven, en het lijk van een van hen werd naakt door woedende Somaliërs door de straten van Mogadishu gesleurd.

Kort daarna stonden de VS opnieuw voor schut in de wereld, deze keer op Haïti, toen een Amerikaans marineschip met een vredesmacht van 600 lichtbewapende manschappen in de haven van Port-au-Prince door een woedende menigte op de kade werd gedwongen rechtsomkeert te maken.

Volgens Richard Holbrooke, de voormalige onderminister van buitenlandse zaken en architect van het Dayton-akkoord, heeft de Amerikaanse buitenlandse politiek altijd een metafoor nodig. “De metafoor is de afgelopen jaren verschoven van Somalië naar Bosnië, van zwakte en doden naar de projectie van Amerikaanse macht”, aldus Holbrooke.

Maar de aannemelijkheid van die bewering werd er door het Amerikaanse optreden in de recente crisis met Irak niet groter op. De onzekerheid en onzorgvuldigheid uit de eerste jaren van de regering staken de kop weer op, bondgenoten werden onnodig voor het hoofd gestoten, bewindslieden spraken elkaar en zichzelf tegen, en nog voor goed en wel was vastgesteld wat het werkelijke effect van de Amerikaanse raketten was geweest, verklaarde Clinton de operatie al tot een succes. De Republikeinen die de regering-Clinton verwijten een “ad hoc-beleid” te voeren kregen zo nieuwe munitie.

Dat binnenlandse politiek en buitenlandse politiek niet los van elkaar te zien zijn, is een stokpaardje van Clinton. En handel is daarbij het verbindende element. De president wist goedkeuring van het vrijhandelsverdrag NAFTA door het Congres te verzekeren, hij zette bondgenoot Japan onder zware druk om zijn grenzen te openen voor Amerikaanse produkten en hij schoot Mexico te hulp met een financieel reddingspakket ten tijde van de peso-crisis. Maar de vermenging van handel en buitenlandse politiek leidde ook tot spanningen met bondgenoten, waaronder Europa.

Met de erfenis van de Sovjet-Unie heeft de regering zich intensief beziggehouden, met als belangrijke resultaten dat Wit-Rusland en Kazachstan afstand hebben gedaan van hun kernwapens. In de verhouding met Rusland heeft Clinton het soort persoonlijke band met Jeltsin gekweekt dat bijzonder nuttig kan zijn, maar ook een blok aan het been als de Russische president zijn macht verliest.

Persoonlijk lijkt Clinton zich steeds meer op zijn gemak te zijn gaan voelen met onderwerpen op internationaal terrein. Iedere avond ontvangt hij van Christopher een kort persoonlijk memorandum over de buitenlandse kwesties van het moment. Regelmatig voert hij ook overleg met zijn veiligheidsadviseur, de publiciteitsschuwe Anthony Lake, met minister van Defensie Perry, voorzitter van de chefs van staven John Shalikashvili, VN-ambassadeur Madeleine Albright en vice-president Al Gore. Plaatsvervangend minister van Buitenlandse Zaken Strobe Talbott ten slotte is een oude studievriend van de president.

Twee weken voor de presidentsverkiezingen wordt er in Washington al druk gespeculeerd over de verschuivingen die Clinton in dit team zal aanbrengen als hij herkozen wordt, en vooral over de mogelijke vervanging van Christopher, die na het falende beleid van de eerste jaren in 1994 al eens heeft aangeboden om af te treden. Mocht hij nu vertrekken, dan laat hij aanzienlijk meer achter om trots op te zijn dan twee jaar geleden het geval was geweest.