Anderhalf uur ogen als schoteltjes

Voorstelling: La Strada, gebaseerd op de gelijknamige film van Federico Fellini door Karina Holla. Gezien 19/10 Theater Frascati, Amsterdam. T/m 31/10 aldaar. Tournee t/m 8/1. Inl.: 020-6277555.

Ergens tussen een schrikachtige paashaas en de oma van Pippi Langkous in speelt Karina Holla in de voorstelling La Strada. Ze heeft zich gebaseerd op de gelijknamige film van Federico Fellini uit 1954, en zoiets getuigt van onverantwoorde hooghartigheid.

Karina Holla kan de vergelijking met Fellini's vrouw, Giulietta Masina, die in de film een dragende rol speelt, op geen enkele wijze doorstaan. Masina's ontwapenende onschuld, haar melancholie, haar mooie elegische gezicht en haar onpeilbare ogen hebben zich voor altijd in mijn herinnering vastgezet. Zowel in de film als de voorstelling is er een jong meisje, dat, aangetrokken door het zwervende bestaan van een groep circusartiesten, haar dorp verlaat en met hen meereist. De desillusie krijgt in de film subtiel vorm, bij Karina Holla niet. Al na drie minuten toneel is er een amechtige, hulpbehoevend gespeelde verkrachtingsscène (waarbij het meisje Karina Holla kreunt als een lek blaasbalgje) en daarna wordt het allemaal nog slechter en ergerlijker. Zelfs vertaler Tom Kleijn, die de tekst schreef, heeft het intelligentieniveau van de voorstelling nog met geen millimeter kunnen opvijzelen.

De weg van Karina Holla is niet een eenzame landweg als in La Strada, maar een weg door de wolken, die aan weerskanten van de speelvloer staan opgesteld. Barbara Duijfjes als de in het zwart geklede, slechte moeder verkoopt haar dochter aan een rondreizend artiest, Armin Dallapiccola. Hij is een boeienkoning, maar iets anders dan leeuwachtig gebrul mogen we niet van hem vernemen. Ook Barbara Duijfjes vervult slechts bijrollen, zoals acrobate en directrice van het circus. Alle aandacht moet dus gericht zijn op Karina Holla, als het onschuldige meisje dat in de grote boze wereld terechtkomt.

Karina Holla is mimespeelster. Maar wat meer dan waggelen op het toneel alsof een meisje van dertien, veertien zo loopt, doet ze niet. Ze draagt een slordige, te krappe bruine jurk; dikke kousen, zware schoenen. Het rode haar piekt alle kanten uit. Haar ogen zijn van begin tot eind van de voorstelling opengesperd tot de grootte van schoteltjes. Zo drukt ze anderhalf uur lang verbazing uit. Ze beweegt haar hoofd schoksgewijs van links naar rechts en weer terug. Nergens zit enig leven in; niet in haar ogen, niet in haar mondhoeken. Misschien wil ze een soort anti-mime bereiken. Of de mime van een marionet. Het is allemaal even zielloos.

In de voorstelling zou iets van een ontwikkeling moeten schuilen, want nadat het meisje eenmaal ingewijd is in de schaduwzijde van het leven, zou er toch een omkering in haar gedrag moeten komen. Dat dit niet gebeurt, is de grootste feil van de voorstelling. Karina Holla blijft met verbijsterde ogen en starre bewegingen rondlopen, alsof er tijdens de duur van de voorstelling geen enkel inzicht is gegroeid. Het is van een onbegrijpelijke vrijblijvendheid en onvolwassenheid.

Ongeveer tegelijk met La Strada ging Le Beau Mariage in première. Die laatste voorstelling, gebaseerd op een filmscenario van Eric Rohmer en geregisseerd door Guy Cassiers, toont aan dat een theatervoorstelling wel degelijk door film geïnspireerd kan worden. Maar Cassiers maakt niet dezelfde fout als Bart Klever, die Karina Holla regisseert. Hij wil geen imitatie maken van de film, maar een zelfstandige creatie. Dat geeft aan Le Beau Mariage een zuivere, integere kwaliteit. Karina Holla leunt zwaar op de uitstraling van Fellini's befaamde film, en dat is oneerlijk. Met de dramatische kracht van La Strada heeft Karina Holla's La Strada niets te maken; wie dat verwacht, komt bedrogen uit. Of is, zoals ik, vooral diep teleurgesteld en moet alle zeilen bijzetten om de voorstelling snel te vergeten, want anders zie ik alleen nog maar de verweesd kijkende, zo welbewust als een klein kind acterende Karina Holla voor me als ik aan La Strada denk, en dat wil ik niet.