Wij zijn de eikelmannetjesputters

Miljoenen eikels liggen weer in de vaderlandse bossen. Waartoe? De Oude Eik weet het antwoord. 'Verwacht niet te veel van het volk der eikelmannetjes. Het is geroepen tot dwalen. Hun hoofden zijn vrijwel leeg, daar is niets aan te doen.' De Eik spreekt zijn woorden in het meest herfstige boek dat ik ken: Paulus en de Eikelmannetjes, het briljantste kinderboek van Jean Dulieu.

Afgaand op de jaartallen onder zijn vele prachtige kleurentekeningen heeft Dulieu er van 1962 tot 1964 aan gewerkt, maar de uitgave die ik me nog van vroeger herinner en nog altijd regelmatig leen uit de bibliotheek, stamt uit 1973 (Unieboek bv. ISBN 90 269 0431). In de boekhandel is het niet meer te vinden. En dat is jammer, want het boek blijft immer waaien.

Opstekende rukwinden, knappende en suizende bladeren, schrapende keverbladeren, rollende dennenappels, avonturen in een ijsgrot en met sinistere kastanjemannetjes, en natuurlijk eikelmannetjes - in enorme aantallen. Wie de lange tocht van Paulus de Boskabouter door zijn van warhoofdige mannetjes vergeven bos eenmaal heeft gelezen, loopt nooit meer onbevangen door de herfst.

Alles wordt niets in het boek. Als ze al niet stomweg wegwaaien in de wind, raken eikelmannetjes meestal onmiddellijk de weg weer kwijt of ze vergeten gewoon waarheen ze op weg waren. Maar niemand kan die chaos wat schelen - behalve Paulus, die door een toverstreek van de heks Eucalypta hun onwillige koning is geworden. Verschillende troepen eikelmannetjes, die soms weer samenwaaien tot een groter volk, roepen de kabouter wel een paar keer opnieuw tot koning uit. Alles wat ze in enthousiasme aan paleizen voor hem bouwen stort in no time weer in.

Hun hoofden mogen leeg zijn, geestdriftig zijn de eikelmannetjes wel. Ze hebben zelfs een strijdlied, waarbij Dulieu ook muziek heeft geschreven: 'Wij zijn de eikelmannetjesputters, hoepela jeee, hoepela jo. Wij geven ze allemaal fijn opladuttertjes, hoepela jee, hoepela jo!' Paulus' hofhouding wordt bevolkt door mannetjes als Kwuts, de zogenaamde bouwmeester. “'Ach', bekende Kwuts, 'ik zou wel wìllen denken, maar dat lukt me toch niet. Ik heb het al een keer geprobeerd en toen werd het ook niets. Heeft u wel eens paleizen gebouwd, sire?' 'Ik niet', zei Paulus. 'Zie je nou wel', riep Kwuts opgeruimd, 'ik ook niet'.”

Het is de leegheid van het najaar en de zinloosheid van het biologisch verval. Maar een probleem is het niet. Dankzij hun vergeetachtigheid houden de eikelmannetjes er gemakkelijk de moed in. 'Krek, krek, krek hoera', roepen ze telkens weer als Paulus in zijn wanhoop een nieuw plan bedenkt om orde te scheppen. Waarna alles al snel in het honderd loopt. Eikelmannetjes vergeten ook gemakkelijk wie ze zelf zijn. Of dat ze er zijn. Als de ijsgrot is ingestort, vraagt Paulus aan zijn volk: is iedereen er nog? 'Jawel', zegt Wamt. 'Behalve ik'.

Paulus raakt verzeild in het verwaaide leven van de eikelmannetjes als hij op een gure herfstmorgen gekke geluiden hoort en denkt dat hij kleine kereltjes ziet weglopen. “Hij luisterde. Overal murmelden en lispelden kleine stemmetjes. Van bladeren, ongetwijfeld. Bladeren die scharrelden en schuifelden over de grond of over elkaar. Of die met zachte plofjes van het ene takje op het andere tuimelden, om vervolgens onder zwak geritsel naar beneden te dwarrelen. En dan kwam er opeens weer een windvlaag die de hele troep bij elkaar veegde, de lucht insmeet en voortjoeg tot hoog boven de bomen. Tijdens die windvlagen vielen er steeds eikels. Klats. Plof.” Paulus denkt dat hij zich maar wat verbeeldt, maar 's avonds bevestigt een spitsmuis zijn vermoedens: “Ze worden ook liever niet gezien. Tenminste niet door zulke grote wezens als kabouters.”

Pas bij de heks Eucalypta ontmoet Paulus drie door haar gevangen genomen mannetjes, waarvan er trouwens eentje, Tni genaamd, voortdurend zijn hoofd verliest. En al snel wordt de arme kabouter door een toverpoeder van Eucalypta verkleind tot de grootte van een eikelmannetje, ongeveer een kinderpinkje lang schat ik. Wat voor volk zijn jullie eigenlijk, vraagt Paulus zijn nieuwe kameraden. “Wij zijn klein en groot. Vooral klein, maar ook vooral groot”, antwoordt Tni. Maar waar leven ze dan? “'Dat is iets wat ik niet helemaal duidelijk uit kan leggen', sprak Tni aarzelend. 'Vermoedelijk bij de eikebomen, zou ik zeggen.' ”

Het biologische kader van het verhaal wordt geleidelijk duidelijk. De eikelmannetjes krijgen pas nut als ze worden begraven. Geplant, noemen ze dat. Zolang dat niet gebeurt, zwieren ze wanordelijk heen en weer, ruziemakend en babbelend alsof ze kletswedstrijden houden. “Ze praatten allemaal tegelijk. Daarbij zwaaiden ze druk met hun kromme armpjes en sprongen rond op hun niet minder kromme beentjes. Het was om duizelig van te worden.”

Slechts een paar mannetjes zijn een beetje slim. Ong de Grasklimmer bijvoorbeeld, en Vna de Hofsluiper. En natuurlijk Wor de Wijze: een stokoud en trillend wit mannetje. Hij heeft zijn soortgenoten goed door, ook al rammelt zijn hoofd een beetje omdat hij begint uit te drogen. “In de soep. Gewoon in de soep. En als u vraagt wat voor soep, dan antwoord ik: eikelsoep”, luidt zijn wereldvisie. Op zijn advies vertrekt Paulus naar de Oude Eik, de alwetende Stamboom van alle mannetjes, 'of de Boomstam, net zoals je hem noemen wilt'. Die waarschuwt Paulus voor Eucalypta en de strijd met de heks beheerst de rest van het verhaal, dat natuurlijk goed afloopt.

Langzaamaan wordt Paulus ingewijd in de eikelwereld - in Dulieu's tekeningen weergegeven als een geheimzinnig myceliumachtig geheel van zwarte draden en felle waterverfkleuren. Paulus herkent bijna niets meer van zijn eerdere bestaan. “Hij luisterde naar klanken, vaag, veraf en onverklaarbaar. Hij keek naar kleuren, geheimzinnig en schoon. Een wonderlijk schijnsel omspeelde hen. 'Waarom slaapt u niet, sire?', fluisterde Wor. 'De nacht is licht', zei Paulus zacht. 'Het is niet donker geworden. De wereld is betoverd. Hebt u niet gezien hoe alles, alles veranderd is?' 'Er is niets veranderd, kleine koning. Onze wereld is altijd zo geweest. Maar jij bent veranderd, Paulus. Jij ziet nu wat wij altijd gezien hebben'.”