Van onbetaalbaar tot kostbaar-maar-mogelijk; Omslag naar kleinere klassen

DEN HAAG, 22 OKT. De Amsterdamse schoolmeester/schrijver Theo Thijssen schreef in 1939 over het probleem van een grote klas: “Bij het ene kind staat hij stil en trekt hij een bedenkelijk gezicht en dat is voldoende om de fout te doen verbeteren. Bij het andere kind is het bedenkelijke gezicht niet voldoende.

Bij weer een ander kind moet hij er naast gaan zitten en geeft hij een les van anderhalve minuut. En zo behandelt hij ieder kind naar zijn aard, want hij weet waar bij ieder kind de fout zit.''

Thijssen pleitte voor een klas van maximaal dertig leerlingen, omdat het “de plicht is van een onderwijzer om stuk voor stuk de kinderen naar hun aard te behandelen”. Maar ook al ver voor Thijssen werd de klassengrootte aan de orde gesteld. “Kijk maar naar het schilderij De Dorpsschool van Jan Steen uit de 17de eeuw”, zegt K. Doornbos, hoogleraar orthopedagogie aan de Universiteit van Amsterdam. “Daarop zie je dat de onderwijzer de grootste moeite heeft met het handhaven van de orde in zijn klas van 25 leerlingen.”

De Commissie evaluatie basisonderwijs stelde in januari 1994 vast dat veel leerkrachten in het basisonderwijs voor onwerkbare groepen van meer dan 32 leerlingen staan. Op verzoek van minister Ritzen bracht vervolgens de Onderwijsinspectie de klassengrootte in het basisonderwijs in kaart. Uit dat onderzoek bleek dat een groep op een basisschool gemiddeld 25 leerlingen telt en een kwart van de klassen meer dan dertig.

De volgende stap was de komst van de commissie-Van Eijndhoven, in februari dit jaar, die zich zette aan haar onderzoek naar de relatie tussen klassengrootte en de kwaliteit van het onderwijs.

Daarvoor had het probleem van de groepsgrootte jarenlang nauwelijks de aandacht getrokken van politici. Het belangrijkste argument was steevast dat kleinere klassen te veel zouden kosten.

Toen professor Doornbos in 1993 minister Ritzen adviseerde de klassen te beperken tot maximaal 24 leerlingen - het gemiddelde in dat jaar lag op 28 kinderen per groep - wees de minister dat advies van de hand. Die operatie zou twee miljard gulden kosten, aldus Ritzen. “Een dergelijk voorstel staat volledig buiten de realiteit van de rijksbegroting”, meende hij.

De huidige fractievoorzitter van de PvdA in de Tweede Kamer, J. Wallage, vond toen hij nog onder minister Ritzen staatssecretaris van Onderwijs was in het kabinet Lubbers-III, dat kleine klassen nog geen garantie waren voor goed onderwijs. Dat was volgens hem althans nooit bewezen. Begin deze maand zei hij in Trouw dat de discussie over kleinere klassen destijds een discussie was over “een fata morgana”.

Daarmee verwees Wallage naar een tweede argument tegen kleinere klassen. In Nederland was nooit grondig onderzoek verricht naar het effect van grote groepen op de kwaliteit van het onderwijs. In de nota 'Groepsgrootte in het onderwijs', door het departement opgesteld in 1974, wordt wel aangedrongen op nader onderzoek op dit gebied. “De vraag naar de optimale groepsgrootte, aan de hand van de huidige inzichten, is niet te beantwoorden”, luiddde toen een van de conclusies. De nota onderkende al wel dat verkleining van de groepsgrootte vooral in het kleuter- en lager onderwijs moet plaatsvinden. Voor de periode tot 1982 beval het rapport een gemiddelde groepsgrootte aan van 24 à 25 leerlingen. Maar dergelijke maatregelen zouden geen effect sorteren, aldus de nota, als de leermethoden en de begeleiding van de leerlingen niet ook zouden worden verbeterd.

De klassengrootte kwam uiteindelijk toch weer op de politieke agenda. Tijdens de Algemene Beschouwingen van vorig jaar zette de Tweede Kamer haar pleidooi voor kleinere klassen kracht bij met een bedrag van 100 miljoen gulden. Staatssecretaris Netelenbos kwam echter met een andere oplossing. Zij besteedde dat geld aan klasse-assistenten die het werk van de full-time leerkrachten moesten verlichten.

Dit jaar herleefde de politieke discussie opnieuw naar aanleiding van onderzoeken in twee Amerikaanse staten, Tennessee en Indiana. Daar lopen sinds de jaren tachtig experimenten naar de effecten van de groepsgrootte op de kwaliteit van het basisonderwijs. In beide projecten constateren de onderzoekers dat vooral in de lagere klassen leerlingen in kleine groepen (tussen de 13 en de 18 kinderen) aanzienlijk beter presteren dan leerlingen uit grotere groepen (22 tot 27 kinderen). Ook blijkt dat het inschakelen van onderwijs-assistenten weinig zoden aan de dijk zet. Volgens de onderzoekers in Indiana namen de verschillen in schoolprestatie wel opvallend af in de hogere klassen.

De uitkomsten van dit onderzoek zijn in 1994 overigens genuanceerd door de Amerikaanse hoogleraar D. Gilman. Hij vond dat beide experimenten, al dan niet gedeeltelijk, waren beïnvloed door de onderwijsautoriteiten ter plaatse, die belang hadden bij een pleidooi voor kleinere klassen. Bovendien was in Tennessee het zogenoemde Hawthorn-effect opgetreden.

De deelnemers aan het experiment, zowel leerlingen als docenten, wisten dat ze in het kader van het onderzoek werden gevolgd. Daardoor zouden zij extra hun best hebben gedaan om betere resultaten te boeken.

Tijdens de algemene politieke beschouwingen over de rijksbegroting van 1997, eind september van dit jaar, nam de Tweede Kamer een motie aan van Wallage (PvdA). Daarin wordt het kabinet aangespoord de groepsgrootte in het basisonderwijs in een aantal jaren stapsgewijs te verkleinen.

Voordat de Kamer deze motie aannam, had staatssecretaris Netelenbos nog in een toelichting voor de pers op de nieuwe begroting gezegd, dat het verkleinen van de klassen te duur zou zijn. Het zou zeker 1 miljard gulden kosten en zij wist niet waar dat geld vandaan zou moeten komen.