Topinstituut is niet te kopiëren

Topinstituten moeten de Nederlandse concurrentiekracht versterken. Een goed idee, aldus Jan W. Vasbinder, mits men het Amerikaanse voorbeeld niet klakkeloos navolgt.

De ministeries van Economische Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zijn druk doende de weg vrij te maken voor topinstituten. De gedachte daarachter is dat onderzoek hoogwaardige kennis genereert en de economische kracht toeneemt als bedrijven en universiteiten samenwerken aan toponderzoek.

Die gedachte is niet nieuw, maar overgewaaid uit de Verenigde Staten. En ook dat is niet nieuw. Nederlandse beleidmakers hebben zich al vaker laten verleiden tot het kopiëren van Amerikaanse successen. Deden ze dat nu maar goed, dan zou Nederland daar wél bij kunnen varen. Maar vaak is dat niet goed gedaan, met soms rampzalige resultaten.

Een voorbeeld daarvan is het kopiëren van het Amerikaanse onderwijssysteem in de Nederlandse Mammoetwet. Nederland kon, zo dacht men in de jaren vijftig, leren van het Amerikaanse onderwijs. Dat produceerde immers Nobelprijswinnaars en moest dus goed zijn. Beleidsmakers reisden af naar de VS en keerden terug met een redenering van een aantrekkelijke, Den Haag kenmerkende, eenvoud: 'Alle Amerikanen krijgen onderwijs met vrijheid van vakkenkeuze. Amerika leidt op vrijwel alle fronten van wetenschap en techniek. Keuzevrijheid is dus de basis voor het Amerikaanse succes. Als we die kopiëren, kopiëren we succes'.

Zo ongeveer werd keuzevrijheid de hoeksteen voor de Mammoetwet. De uitwerking daarvan leidde vervolgens tot de afbraak van een wereldwijd benijd onderwijssysteem. Dat veel Amerikaanse Nobelprijswinnaars uit die tijd immigranten waren die hun opleiding in Europa hadden genoten, moet als een verwaarloosbaar detail zijn beschouwd. En helemaal niet geobserveerd werd het feit dat het Amerikaanse onderwijs een afspiegeling is van de Amerikaanse samenleving. Dat is dynamisch, met grote verschillen in kwaliteit en beschikbare fondsen. De nadruk ligt op het feit dat je succes in eigen handen hebt. Keuzevrijheid van leerlingen hoort daar bij, maar is niet de oorzaak van het Amerikaanse succes.

De Nederlanders zagen het Amerikaanse onderwijssysteem echter door een bril van Nederlandse verhoudingen. Die bril maakte slechts zichtbaar wat daarbinnen paste en sneed de blik af van de essentiële context daaromheen: de Amerikaanse maatschappij.

Een tweede voorbeeld. Eind jaren vijftig werd in de VS de wezenlijke betekenis onderkend van kleine, innovatieve ondernemingen voor de levenskracht van de Amerikaanse economie. Tegelijkertijd bleek dat het ontstaan en de groei van zulke ondernemingen werd belemmerd doordat er geen financieringsbron was voor de specifieke kapitaalsbehoefte van kleine ondernemingen.

Die constateringen leidden in november 1958 tot de Small Business Investment Act, waarmee een institutionele en voortdurende aan te vullen bron van investeringskapitaal voor kleine ondernemingen werd gecreëerd. Die bron kon alleen worden afgetapt door private investeringsmaatschappijen, de Small Business Investment Companies (SBIC's).

De SBIC's werden een geweldig succes. Er werden honderdduizenden banen gecreëerd in high-tech bedrijven, terwijl het totaal van de niet terugbetaalde leningen te verwaarlozen was. Toen, midden jaren zeventig, institutionele beleggers een klein percentage van hun vermogen mochten gaan investeren in risicodragende ondernemingen, stond er een heel leger, in SBIC's gelouterde, venture kapitalisten klaar om voor dat geld een bestemming te zoeken in nieuwe high-tech ondernemingen. Het resultaat was een explosieve groei van de high-tech bedrijvigheid in de VS.

Ook Nederland had een tekort aan, op kleine ondernemingen toegesneden, financieringsbronnen. Het succes van de SBIC's vroeg om een kopie. Dus werden de Participatie Maatschappijen (PPM'en) gecreëerd. Die hebben Nederland echter nooit gebracht wat de SBIC's de VS hebben gebracht. Integendeel.

Hoe kwam dat? De belangrijkste reden is dat de essentie van de SBIC-formule niet werd overgenomen. In plaats van privé-investeerders te stimuleren belastinggeld zorgvuldig te investeren en te beheren, werd dat geld ingezet om fouten van die investeerder af te dekken. Het te investeren kapitaal werd niet vergroot, het te lijden verlies werd verkleind.

Een andere reden is dat de traditionele financieringswereld de operationele expertise niet heeft om een investeringsfonds voor kleine innovatieve ondernemingen tot een succes te maken. Bepalend voor het succes zijn niet de ondernemingen waarin wordt geïnvesteerd, maar het vermogen de goede ondernemingen te vinden en te begeleiden. In de VS is dat vermogen opgebouwd in de jaren zestig. In Nederland denken we nog steeds zonder te kunnen, getuige de vele te kleinschalige startersfondsen die momenteel als paddestoelen uit de grond komen, al dan niet gestimuleerd door Economische Zaken.

De Mammoetwet is een voorbeeld van een kopie zonder context, de PPM van een kopie zonder essentie en zonder operationele kennis. Dat laatste dreigt nu ook bij de topinstituten. Dat lijken slechte kopiëen te worden van de Amerikaanse Industry University Cooperative Research Centres (IUCRC), die werden opgezet na diepgaand onderzoek naar de innovatieve kracht van de groeiende Japanse concurrentie.

De onderzoekers concludeerden dat effectief gebruik van de resultaten van onderzoek en ontwikkeling de drijvende kracht was achter industriële innovatie. Om die effectiviteit te verhogen startte de National Science Foundation (NSF) in 1978 enkele experimenten, waaronder het IUCRC Program.

Het concept van een IUCRC is eenvoudig. Er zijn drie spelers, elk met een eigen rol: Bedrijven die actief participeren, universiteiten die excellent onderzoek doen en de overheid die optreedt als katalysator en integrator. De overheid levert geloofwaardigheid, startkapitaal en de operationele expertise om het IUCRC op te zetten, de universiteit levert wetenschappelijk leiderschap, management en de hulpbronnen voor het onderzoek en de industrie levert advies over het uit te voeren onderzoek, bewaakt de vooruitgang en financiert het centrum.

In de loop van de jaren tachtig zijn, onder strakke regie van de NSF, in de VS tientallen IUCRC's opgestart. Elke IUCRC profiteerde van de kennis opgedaan bij het opstarten van alle vorige. De operationele expertise die de NSF zo opbouwde werd onder andere concreet in een aantal do's and don'ts, in kritische succesfactoren, in early warning systems en in een beproefd pad waarlangs de NSF haar begeleiding en financiële steun afbouwt.

Is het model van de IUCRC kopieerbaar in Nederland? Ja, mits de essentie van het model niet wordt aangetast, als de juiste context wordt gekozen en als de operationele expertise wordt ingezet die aan de essentie en de context betekenis kan geven.

Economische Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap hebben voor hun topinstituten het model van de IUCRC gekopieerd. In de plannen die daarover tot nu toe zijn ontvouwd lijkt het dat beide ministeries wezenlijke betekenis van de operationele expertise voor het succes van de topinstituten over het hoofd hebben gezien. Het kopiëren van een mechanisme zonder de kennis om dat te bedienen, leidt vroeg of laat tot het vastlopen ervan. Dan gaan weer een goede kans om een impuls te geven aan de innovatiekracht van Nederlandse bedrijven èn tientallen miljoenen guldens belastinggeld verloren. Maar het is nog niet te laat om die operationele expertise alsnog in te brengen.