Toetsenman Robert Jan Stips brengt na de Nits zijn rijke verleden in kaart; 'Ik wil mijn weeskinderen afstoffen'

Na vijftien jaar verliet toetsenman Robert Jan Stips onlangs de groep De Nits. Hij legt zich nu toe op het revitaliseren van zijn eigen nummers van voor 1981.

Stips: 26/10 Doelen, Gorinchem, 13/11 Stadsgehoorzaal, Vlaardingen, 16/11 Nieuwe Pul, Uden, 22/11 Para, Breda, 1/12 Kleine Komedie, Amsterdam, tournee t/m januari.

“Het is natuurlijk een bepaald slag mensen dat kiest om een toetseninstrument te gaan bespelen,” zegt Robert Jan Stips. “Je moet er eerst bij nadenken voordat er iets leuks uit zo'n piano komt. Een gitaar hoef je maar met één hand aan te slaan om een spannend geluid te creëren. Zelf heb ik mijn toetseninstrumenten altijd vrij gitaristisch benaderd. Bij Supersister had ik al een slalompedaal op het Farfisa-orgel waarmee je de noten kon buigen. Ik ben er aan toe om weer eens wat grover te spelen dan ik de laatste jaren bij de Nits gewend was.”

Na vijftien jaar bij de Nits slaat Robert Jan Stips (46) een nieuwe richting in. Met zijn driemansband Stips maakte hij de cd Egotrip, waarop hij afgestofte versies speelt van nummers uit zijn bijna dertigjarige loopbaan als sleutelfiguur in de Nederpop. Wie ze achter elkaar hoort, moet concluderen dat er een onverwachte thematische eenheid bestaat tussen She Was Naked van Supersister, No More Cricket van Sweet d'Buster en Memories Are New van de Nits. Stuk voor stuk dragen ze het stempel van een muzikant die zijn streven naar een kriebelig soort originaliteit nooit heeft laten overwoekeren door zijn ervaring.

Zijn eerste, als schoolband begonnen groep Supersister is op Egotrip onder meer vertegenwoordigd met het nummer Radio van de elpee Pudding En Gisteren, waarvan het titelstuk indertijd (1972) geschreven werd als balletmuziek voor het Nederlands Dans Theater. Al twee jaar eerder stond Supersister op het legendarische hippiefestival in het Kralingse Bos. “We waren een late exponent van de hippiecultuur. Omdat we voor de muziek kozen en niet voor de randverschijnselen, maakten we ons bewust los uit de underground. Toen we met She Was Naked bijna de top tien haalden, werd dat in ondergrondse kringen als een vorm van verraad beschouwd. Ik verzette me tegen de theoretische kennis die me op het conservatorium was bijgebracht. Alles wat daar niet mocht, deed ik bij Supersister juist wel. Zappa vonden we interessant en Soft Machine was het grote voorbeeld: een groep zonder gitaar en met een orgel dat flink tekeer kon gaan.”

Over de motieven achter zijn Egotrip hoeft alleen al wegens de titel geen twijfel te bestaan, hoewel Stips benadrukt dat de broers Roy (drums) en Martin Bakker (bas) hem al spelend tot het inzicht brachten dat hij trots mag zijn op zijn verleden. “Eerst wilde ik een cd met luchtige versies van die oude nummers maken, als een soort zijspoor terwijl ik bij de Nits speelde. Niet om de muziek op een kunstmatige manier in een modern jasje te steken, maar wel met de instrumenten en de opnametechniek van nu. Het leek me vooral nuttig om mijn verleden eens in kaart te brengen. Al die nummers vormden samen een soort vage wolk die achter me hing, van materiaal dat me altijd na aan het hart is blijven liggen. Alsof het weeskinderen waren die in het stof dreigden te zakken. Al doende had ik er zo veel plezier in, dat ik begon te beseffen dat ik het niet meer met de Nits kon combineren.”

Drie jaar broedde Robert Jan Stips op het plan om een frisse start te maken. Sinds 1981 maakte hij deel uit van de Nits, nadat hij al eerder als producer bij hun plaatopnamen was betrokken. “Nee, we zijn niet met ruzie uit elkaar gegaan. Was het maar waar, dan zou het een minder moeilijke beslissing zijn geweest. De oer-Nits komen uit Amsterdam en ik ben en blijf een Hagenaar. Dat gaf een gezonde spanning en een soort chemie bij het samenspel. Toch bleef het knagende gevoel hangen dat ik de eeuwige invaller was. Daar kwam nog bij dat ik het clubcircuit een beetje begon te missen. Het was leuk om zo vaak in theaters te spelen, omdat je daar met stilte en dynamiek kunt werken. Rock 'n' roll past daar minder goed en ik kreeg het wel eens benauwd van de overdaad aan pluche. Je voelt je soms net een tv; pa en ma en hun twee kinderen zitten op een rij naar je te kijken en alleen de zapper ontbreekt. Ik zou zo nu en dan wel weer eens wat ruiger tekeer willen gaan.”

Tegenwoordig mag Stips via de sampler graag gitaar spelen op zijn toetsenbord. Toch is hij blij dat hij het podium niet met een gitarist hoeft te delen. “In de loop der jaren is er een soort hiërarchie ontstaan in de popmuziek. De gitarist is de baas en trekt de meeste aandacht terwijl de toetsenman dat alleen maar een beetje mag aanvullen. Met mijn nieuwe band sta ik weer dicht bij de basis, omdat we alles met zijn drieën moeten doen. Ik realiseer me dat een toetsenman voor het publiek in het algemeen vreselijk saai is om naar te kijken. Daarom heb ik mezelf tot taak gesteld om niet alleen als een paal op het podium te staan. Er is maar één rode draad bij deze egotrip, en dat ben ikzelf.”