Opluchting bij contra's na zege Alemán

QUILALI, 22 OKT. Als de sandinisten gewonnen hadden, had Carmen Vasques (28) haar geweer weer opgegegraven. “Ik had mijn moeder en m'n kinderen in veiligheid gebracht, en was de bergen ingetrokken.”

Met haar witte schoentjes gaat ze over de betonnen vloer van haar nieuwe huis in Quilali, het bergdorp dat wel de wieg van de Nicaraguaanse contra's wordt genoemd. En Arnoldo Alemán, de rechtse populist die gisteren de verkiezingen heeft gewonnen? “Is wel okee”, zegt ze.

In een hoek maakt haar jongste zoontje een puzzel van maïskolven. Waarom had ze weer teruggewild naar het vechtersleven in de bergen? Carmen peutert aan haar roze T-shirt. “Ik wil vrij zijn om te werken”, zegt ze na een lange stilte. En dan: “Ik wil niet leven onder een dictatuur.” Maar als Somoza, de rechtse dictator die in 1979 door de sandinisten werd verjaagd, ter sprake komt, begint ze te stralen “Somoza was bonito, mooi”, zegt ze met een tandeloze lach. “Dat was heel anders.”

De verkiezingsoverwinning van Alemán is voor mensen als Carmen een grote opluchting. Jarenlang vocht de jonge boerin tegen de sandinistische regering van comandante Daniel Ortega. Op haar zeventiende werd ze lid van het 25.000 man sterke rebellenleger, dat vanuit het berggebied in het midden van Nicaragua een acht jaar durende burgeroorlog in het land ontketende. De zogeheten contra's werden geleid en bewapend door de Verenigde Staten. Maar de strijders zelf waren eenvoudige Nicaraguaanse boeren. “De contra was hier een echte volksbeweging”, meent Ricardo Calavari. “De boeren moesten hier niets hebben van de collectieve landbouwgedachten van de sandinisten”, zegt Calavari, coördinator van de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS) en uitvoerder van hulpprojecten die Europa in de streek financiert. Een bedrag van meer dan 40 miljoen ecu (ongeveer 80 miljoen gulden). Grond, huizen en voorzieningen: uitsluitend bestemd voor gedemobiliseerde contra's.

“Een beetje oneerlijk” is het wel, geeft Calavari toe. De vechtjassen worden beloond, terwijl de rest van de bevolking voortploetert in lemen hutjes, zonder vloeren, zonder elektra, zonder hulp. Ricardo Calvari klopt op een gloednieuwe maïsverwerkingsmachine. “Maar als het conflict in dit gebied niet wordt opgelost, zal Nicaragua altijd op een vulkaan blijven zitten.” 'Afkopen' zou hij het niet willen noemen. 'Pacificeren' klinkt beter.

“Al dat bloed. De doden. Afgerukte ledematen. Boeren die hun leven gaven voor de vrijheid om met rust gelaten te worden op hun stukje grond.” Javier Ortega (34), ook in dienst van de OAS, vertelt in de jeep op weg naar Quilali over de strijd van de contra's. Zeven jaar vocht hij in de bergen. Als dokter lapte hij de gewonden op. De jonge dokter is nog steeds onstuitbaar. “Verraden” zijn ze door de hoge heren in Washington. De mannen van de CIA in hun nette pakken. Hij zag hoe ze kwamen, bevelen uitdeelden, en dan weer gingen in hun helikopters. Geen druppel bloed hebben ze voor de contra-revolutie gespendeerd. “De Amerikanen hebben ons gebruikt tegen Daniel Ortega”, analyseert Ortega. Grapjes over zijn achternaam beantwoordt hij met een bitter lachje. “Maar de VS hebben nooit gewild dat we de oorlog zouden winnen.”

Een jongeman met ritmisch malende kaken, het ene na het andere kauwgumpje verdwijnt in zijn mond, mompelt zijn instemming. José Angel Talavera heet hij - in Nicaragua beter bekend als el Chakal: de Jakhals. Jakhals spreidt zijn armen om in de hotsende jeep overeind te blijven. In zijn pezige lichaam draagt hij de hele gewelddadige geschiedenis van dit land.

Als vijftienjarige sloot hij zich in 1976 aan bij het sandinistische bevrijdingsfront van Daniel Ortega. Toen dictator Somoza in 1979 door de sandinisten werd verdreven, keerde hij terug naar de boerderij van zijn ouders. Maar nog geen twee jaar later zat hij alweer in de bergen. Dit keer om dezelfde sandinisten te bestrijden die hij aan de macht had geholpen. Een broer werd door het sandinistische leger gedood in een vuurgevecht. Een andere werd door een onbekende neergeschoten toen hij als burgemeester van Quilali het gemeentehuis verliet. Later werd 'Jakhals' een van de meest gevreesde aanvoerders van de contra's.

Daar zit hij met zijn lichaam vol littekens en kogels. Zijn repertoire bestaat uit niet meer dan wat kort uitgestoten zinnen. “Het gaat om vrijheid.” De man die niet meer op kon houden: in 1992 nam hij opnieuw de wapens op. Dit keer tegen de conservatieve regering van Violeta Chamorro. Tot ieders verrassing versloeg zij bij de verkiezingen twee jaar daarvoor de sandinisten, waarna 23.000 contra's hun wapens inleverden. Nadat hij een passerende karavaan heeft toegewuifd van de nieuwe rechtse president, Arnoldo Alemán, geeft dokter Ortega op deze nieuwe episode in de carrière van Jakhals commentaar. “Hij wist dat de contra's door mevrouw Chamorro waren verraden. Om ons over te halen de wapens in te leveren zijn er beloften gedaan, en nog eens beloften. De leiders zorgden dat ze hun schaapjes op het droge kregen. Maar de gewone boeren, de mannen die acht jaar lang hun bloed hebben gegegeven, zij werden in de steek gelaten. En dat begreep Jakhals. Nietwaar, José Angel?”

De Jakhals knikt en zwijgt. Hij is er niet bij met zijn hoofd. Wanneer de jeep zes uur later stopt voor een klein dorpsziekenhuisje, blijkt waarom. Die nacht werd de moeder van Jakhals geopereerd. Van veraf zien we hem zitten aan haar bed: haar hand in de zijne. Met zijn andere strijkt hij door haar haren.

“Er zijn mensen voor wie de dood een droef einde is, voor anderen is het een mijlpaal op weg naar de vrijheid”, zingt de Nicaraguaanse Salsa-band. Zachtjes neuriën de mannen in de jeep met de cassette mee. Nog twee uurtjes en dan zijn we in Quilali.

“De mensen hebben genoeg van het vechten”, zegt Francisco (40) in zijn schommelstoel. Hij woont in een houten hutje in Quilali, waar varkens en kinderen in en uit lopen. Vlak naast hem staan de mooie stenen huisjes van de door de OAS en de EU gesubsidieerde krijgers. Jaloers is hij niet. “Als dit de manier is om vrede te krijgen, dan is het zo.” Een burgeroorlog die meer dan 40.000 doden heeft gekost. Een land dat meer dan twintig jaar werd ontwricht door haat.

Het lijkt erop of in elk geval de mensen in Quilali begonnen zijn sámen te leven. In rustige, zacht babbelende rijen stonden ze zondag voor de stembureau's. “De verraderlijke slang van het sandinisme is verslagen”, brult de rechtse Arnoldo Alemán. “Het land zal worden geplunderd door deze verklede somosist”, waarschuwt de verslagen Daniel Ortega. Met een klap zet dokter Javier Ortega de radio uit. “Weet je wat het moeilijkst is”, zegt hij “te moeten erkennen dat al die strijd en die doden eenvoudig voor niets zijn geweest. Maar ik denk echt dat Nicaragua geen oorlog meer wil.”