Feestmaal

Was je erbij op die gedenkwaardige avond dat de gulle weldoeners van de AKO-winkels een feestmaal aanrichtten voor de nobelste schrijvers van ons land en hun geliefden en bewonderaars? Inderdaad genoot ik dit voorrecht en nog vervuld ben ik van de gedachten die bij mij opkwamen toen plotseling de wetsdienaar aan de haag zijner tanden de zware woorden liet ontsnappen die zeiden dat hij de bommelding serieus nam. Laat me vertellen.

Verstandig zou het zijn geweest om ijlings het hazenpad te kiezen en de anderen achter te laten die, met het gebrek aan voorstellingsvermogen dat de verwende tijdgenoot kenmerkt, lacherig samenschoolden, niet van zins om de waarschuwing ernstig te nemen en als in wedijver grappen makend om te tonen dat niets hen uit het evenwicht kon brengen, de onnozelen.

Maar ook aantrekkelijk was het om niet verstandig te handelen maar juist waardig, en onbekommerd bij de grappenmakers te gaan staan en herinneringen op te halen aan de vorige keer dat wij door een bommelding uiteen waren gedreven, die keer toen de nobelste van allen, de betreurde W.F. Hermans, een rede hield die hij niet ten einde mocht brengen, omdat de bestuurders van Amsterdam, de jaloersen en kleinzieligen, er lucht van hadden gekregen dat hij zich enige maanden daarvoor in een ver land tegoed had gedaan aan springbokfilet, gerecht dat toen op de zwarte lijst van het gemeentebestuur stond, maar nu door de AKO-heren tot het hoogtepunt van hun feestmenu was gemaakt, en als wij dan grappend bij elkaar stonden, ons verbazend over de onvoorspelbare culinaire ontwikkelingen, zouden wij misschien ook het wonderlijke verschijnsel bespreken dat in die tijd dat de nobele Hermans geen springbokfilet mocht eten, ook de taal van het land van de springbokken onverstaanbaar voor ons was, zodat op het journaal van onze televisie ieder woord dat in het Afrikaans gesproken werd moest worden ondertiteld, terwijl nu die ondertitels meestal worden weggelaten, omdat de heren van de televisie beseffen dat door de bevrijding van Zuid-Afrika ook ons brein bevrijd is, waardoor wij weer kunnen verstaan wat wij vroeger niet mochten verstaan, maar dit terzijde.

Het was een dilemma dat tot een snelle statistische beschouwing noopte. Als het zo zou zijn dat er op iedere honderd bommeldingen één keer echt een bom zou ontploffen, zou het op het eerste gezicht kunnen lijken alsof het beter zou zijn om negenennegentig keer voor loos alarm als een angsthaas naar buiten te schieten, bespot door de wereldwijzen die zich niet door een gerucht uit het veld laten slaan en kalm de tijd nemen om nog wat flessen wijn van de tafels mee te snaaien, en al die keren krijgen zij gelijk door de loop der dingen, totdat die honderdste melding komt, waarbij voor één maal de angsthaas gelijk krijgt. Zo kan het lijken, maar dan wordt niet voldoende beseft wat er gebeurt met een mens die vlucht voor loos alarm, iedere keer wordt hij iets kleiner en gerimpelder en een stuk van zijn ziel wordt weggeknaagd, en bij de honderdste keer is hij een wandelende dode.

Dit alles bedacht ik toen de wetsdienaar zijn zware woord sprak en zo moet het ook met de andere feestgangers zijn gegaan, de schrijvers en hun geliefden en bewonderaars, en moeilijk was het om te bedenken wat de redelijke handelwijze zou zijn, dat wil zeggen de handelwijze die wij na rijp beraad aan een ander zouden aanraden, maar wijzelf merkten dat wij gekozen hadden voor de waardige weg van de grappen en de luchthartigheid, en dat gold voor allen.

En ook in het café aan de overkant wachtte ons weer hetzelfde dilemma, want er was een tafeltje vrij vlak achter het raam, plaats die niet wordt aanbevolen door explosievendeskundigen, maar die wel het beste uitzicht biedt. Laat ik bekennen dat ik zelf tot lafhartigheid geneigd ben en voorstelde om een stukje achteruit te gaan. Maar wij waren in de gelukkige omstandigheid dat een van de nobelen die genomineerd was voor de hoge prijs in ons midden was en zijn woord was natuurlijk wet en wij kozen voor het uitzicht.

Snel bracht de waard de wijn op tafel, hoewel wij van de gulle AKO-heren al meer gekregen hadden dan goed voor ons was, maar dat deerde ons niet en ook de waard niet, die ons vertelde dat in het grote hotel op de hoek van de straat iedere twee weken een bommelding kwam, zodat hij ervaren was en wist wat wij verlangden.

Stil werd het nu op straat, waar allen die nog samenschoolden door de wetsdienaren in de steegjes werden gedreven, en omdat wij ons in het centrum van het schoongeveegde gebied bevonden, hadden wij het opwindende gevoel dat bezoekers van een toneelstuk moet bekruipen die plotseling merken dat zij zich niet in de ruimte voor de toeschouwers, maar op het toneel bevinden. Sterke verhalen gingen over de tafel, zoals dat van de oorlogscorrespondent die ooit de ontploffing van een autobom had meegemaakt, een geluid zo hevig dat wij ons er geen voorstelling van konden maken, en hij vertelde dat in de hotelbar waar alle correspondenten verzameld waren, een doodse stilte viel na de ontploffing, die seconden aanhield en een eeuwigheid leek, en die werd doorbroken door de papegaai van de barman die kraste en een ieders gedachte weergaf: c'est la guerre, c'est la guerre...

En nog meer wijn bestelden wij, hoewel wij in de uren daarvoor niet tekort waren gekomen, en nog vrolijker werd de stemming, omdat wij er zeker van waren dat de genomineerde die in ons midden was de hoge prijs verdiende en ook vast zou krijgen, en alleen de nobele zelf was stil en wees de gelukwensen af.

En toen kwam de waard ons vertellen dat hij opdracht had gekregen van de wetsdienaren om zijn zaak te sluiten, en zeer zenuwachtig was hij nu, niet om de bom, maar omdat hij onze verwijdering een loodzware taak achtte. Maar wij gingen, en buiten hoorden wij dat de hoge prijs naar een ander was gegaan, die misschien ook waardig was, maar zeker niet zo waardig als onze man, doch niets van teleurstelling toonde hij, de goede en wijze, en hij ging heen om een bad te nemen en de dingen te doen die hij gewend was te doen.