Een man van vlees en bloed

Was de bekende historicus Geyl (1887-1966), die ik, zoals ik hier op 18 oktober schreef, gekend en bewonderd heb, een leugenaar? De Vlaamse historicus L. Wils beweert dat, zoals mij bleek uit een bespreking die ik aantrof in een historisch tijdschrift. Reden voor mij om het besproken boek - een bundel opstellen van Wils - bij de bibliotheek op te vragen en de opstellen over Geyl te lezen.

Het zijn drie opstellen, die gaan over de Grootnederlandse beweging. Dat was een beweging die streefde naar vereniging van Nederland en Vlaanderen en tussen 1914 en 1940 bestaan heeft. In Nederland, dat niet geïnteresseerd was in expansie, is zij altijd klein gebleven. Haar bekendheid heeft zij voornamelijk te danken aan het feit dat haar twee voormannen, de historici F.C. Gerretson en P. Geyl, om andere redenen bekend waren.

Geyl had in zijn studententijd - vóór de Eerste Wereldoorlog - sympathie opgevat voor de emancipatiestrijd der Vlamingen. Van 1914 tot 1919 was hij correspondent van de Nieuwe Rotterdamse Courant in Londen. In het laatste jaar werd hij in feite persattaché van het Nederlands gezantschap, met als voornaamste taak de aanspraken te bestrijden die België na 1918 deed op Nederlands grondgebied. “Tegenover de steun van Frankrijk aan de Belgische eisen moest Geyl helpen om Engelse steun aan Nederland te verwerven”, schrijft Wils. Zijn gelijktijdig hoogleraarschap aan de universiteit van Londen verhoogde zijn status.

Maar daarmee hield zijn politieke activiteit niet op. In talloze geschriften ageerde hij in Nederland en België voor de Grootnederlandse gedachte en tegen de Belgische staat. Dat deed hij deels in een met Rotterdams geld gekochte Antwerpse krant, De Schelde, waarvan hij, volgens Wils, directeur was (vanuit Londen blijkbaar en zeker niet officieel).

Hoe bracht hij deze politieke agitatie in overeenstemming met zijn geschiedschrijving? Hij zag geen strenge scheiding tussen beide activiteiten. “Politiek en historie waren voor hem nauw verbonden”, schrijft dr. H. van der Hoeven in het Biografisch Woordenboek van Nederland (deel I). “Ook als historicus doorbrak hij (Geyl) de grenzen van een eng-Nederlands nationalisme” en bestreed hij zowel de Kleinnederlandse geschiedopvatting, die in Nederland in zwang was, als haar tegenhanger, de belgicistische opvatting van de historicus Pirenne (beide gingen ervan uit dat er altijd, dus ook vóór de staatkundige scheiding, sprake was geweest van een Noordnederlandse, resp. Belgische, eigenheid).

Nog in 1946 schreef Geyl: “Dat historische vertogen (...) uit een bepaalde politieke of nationale opvatting voortkomen en die tevens dienen, heb ik nooit onder stoelen of banken gestoken, en ik wil die verbinding ook thans niet verdoezelen.” Maar toen hij dit schreef - hij was toen al tien jaar hoogleraar in Utrecht - was hij al heel wat bedaarder geworden.

Dat proces van matiging was begonnen tegen de tijd dat hij het nationaal-socialistische Duitsland als een gevaar ging beschouwen. Hij moest niets hebben van de sympathieën die veel Vlaamse nationalisten en ook Nederlandse Grootnederlanders voor dat Duitsland koesterde. In de oorlog beschouwde de Duitse bezetters hem dan ook als vijand.

Ook in zijn geschiedschrijving was hij, al eerder, gematigder geworden. In het tweede deel van zijn Geschiedenis van de Nederlandse stam (1934) had hij, aldus Wils, “zijn Grootnederlandse nationalistische opzet nog minder laten blijken dan in het eerste deel, en waarachtig sprak hij (...) van een 'Zuidnederlands nationalisme' en 'patriottisme' ”, waarvan hij het bestaan vroeger altijd ontkend had. “Paris vaut bien une messe”, schrijft Wils erbij, kennelijk suggererend dat Geyl uit was op een hoogleraarschap in Nederland, waar zijn vroegere ideeën niet populair waren. Dat hoogleraarschap heeft hij dan ook pas na veel moeite gekregen.

Later zou hij nog verder zwenken en tenslotte de Belgische staat, waarvan hij de ondergang gewenst had, aanvaarden; ja zelfs een aaneensluiten van België en Nederland tegen het Duitse gevaar voorstaan. Hij gaf na de oorlog ook toe dat hij zich in zijn vroegere geschriften “wel eens te ver (had) laten meeslepen” en een “te doctrinair taal-nationalistisch” standpunt had ingenomen.

Dat is allemaal tot daaraan toe. Ontwikkeling van denken pleit eerder voor dan tegen iemand, evenals de erkenning van vroegere fouten. Maar waar beginnen de leugens? Het komt eigenlijk neer op Wils' beschuldiging dat Geyl, Pirenne te vuur en te zwaard bestrijdend, in feite diens “machtige synthese” heeft erkend.

“Het overgrote deel van wat Geyl heeft geschreven over België, de Zuidelijke Nederlanden en de Vlaamse Beweging, en alles wat hij over Pirenne schreef, was (...) niet het werk van de historicus, maar van de politicus. Want, zoals hij zelf stelde in Gebruik en misbruik der geschiedenis: 'De historicus die welbewust de regels der kritiek terzijde laat om een mythe op te bouwen, is geen historicus.' Niet alleen heeft Geyl welbewust een mythe opgebouwd, hij heeft daarbij leugen en laster niet geschuwd (...)”

Historici zullen, mede op grond van wat Wils als bewijsmateriaal aanvoert, moeten uitmaken of dit zo is. In het bijzonder daagt Wils de “vereerders van Geyl”, wier “stilzwijgen” hij laakt, daartoe uit. Zelf volg ik het discours tussen historici niet zo nauw dat ik kan nagaan of ze inderdaad Wils' beschuldigingen onbeantwoord hebben gelaten.

Maar stel dat die beschuldigingen juist zouden blijken te zijn, wat zou dan wel de verklaring kunnen zijn van Geyls “leugens”? Ik zie dan niet de, maar één verklaring in een opmerking die Gerretson zijn vriend Geyl eens toevoegde: “Wat kan jij brutaal liegen! En 't heerlijkste is dat je 't zelf zo gelooft.' Inderdaad is bij sommigen het vermogen tot zelfbedrog groot. Als dat bij Geyl ook zo was, zou hem dat nog meer tot een mens van vlees en bloed maken.

Een mens van vlees en bloed - ook in letterlijke betekenis van het woord. De journalist Anton Constandse, die met hem gijzelaar was geweest in het kamp St. Michielsgestel, vertelde me eens dat Geyl daar graag boogde op zijn viriliteit. Zwak? Gênant? Misschien maar wel menselijk.

Op één punt moet ik Wils uit eigen ervaring tegenspreken. Wanneer hij komt te spreken over het Belgisch-Nederlandse verdrag over een kanaal tussen Antwerpen en het Hollands Diep, dat de Eerste Kamer in 1927 verwierp, schrijft hij dat het verzet in Nederland tegen dat verdrag in hoofdzaak uitging “van kringen, personen en bladen die al tijdens de oorlog (Eerste Wereldoorlog) Duitsgezind waren en die toen openstonden voor de Duitse propaganda: liberalen, antirevolutionairen en christelijk-historischen, intellectuelen die op de Duitse wetenschap georiënteerd waren en de Rotterdamse zakenwereld”.

Het toeval wil dat ik de toenmalige voorzitter van de Amsterdamse Kamer van Koophandel goed gekend heb. Hij was een actief tegenstander van het kanaal en eerder anti- dan pro-Duits. Een twintig jaar tevoren had hij een Amsterdamse rederij uit Duitse handen weten te houden, en hij was met een Franse getrouwd - wat in die tijd (nog geen tien jaar na de oorlog) nu niet bepaald een vermoeden van Duitsgezindheid wekte. Als het waar zou zijn wat Wils over het verzet tegen het kanaal zegt - dat het in hoofdzaak Duitsgezind zou zijn geweest - zou hij zich zeker niet met dit gezelschap hebben ingelaten.

En de antirevolutionairen, die Wils ook tot de tegenstanders van het kanaal lijkt te rekenen? Bij de stemming in de Tweede Kamer stemden, van hun fractie van dertien man, er twee tegen; in de Eerste Kamer, van hun fractie van zeven man, drie tegen. Colijn, hun onbetwiste leider, was voorstander. Dit is allemaal te lezen in R.L. Schuursma's proefschrift, Het onaannemelijk tractaat (1975), door Wils als bron genoemd, maar blijkbaar niet erg nauwkeurig geraadpleegd.

Voor de goede orde en ter vermijding van misverstanden: ikzelf geloof dat, achteraf bezien, minister van buitenlandse zaken, Van Karnebeek, die auteur was van dat “onaannemelijk tractaat” en na verwerping ervan door de Eerste Kamer aftrad, van grotere politieke verziendheid blijk heeft gegeven dan de tegenstanders. Maar dat is een ander verhaal.