Botha en De Klerk beschuldigd van misdaden

JOHANNESBURG, 22 OKT. Vijf voormalige Zuidafrikaanse politiefunctionarissen hebben de voormalige presidenten P.W. Botha en F.W. de Klerk gisteren tegenover de Waarheidscommissie beschuldigd van betrokkenheid bij misdaden die onder het apartheidsregime zijn begaan.

Een gepensioneerde hoofdcommissaris van politie, generaal Johan van der Merwe, verklaarde: “In 1988 ontving ik een instructie van de heer Adriaan Vlok, de toenmalige minister van Wet en Orde... dat het gebouw dat bekend stond als Khotso Huis, dusdanig moest worden vernietigd door explosieven dat het niet langer kon worden gebruikt. Volgens de heer Vlok was deze instructie afkomstig van president P.W. Botha persoonlijk.” Het gebouw in Johannesburg diende als hoofdkwartier van de Zuidafrikaanse Raad van Kerken en als kantoor van het destijds verboden Afrikaans Nationaal Congres (ANC) van Nelson Mandela. Bij de aanslag vielen geen doden.

De vijf voormalige politiefunctionarissen stonden in het begin van de jaren tachtig aan het hoofd van het beruchte doodseskader van Vlakplaas, dat opereerde in de omgeving van Pretoria. Zij hopen in ruil voor hun bekentenissen over veertige moorden en bomaanslagen die zij tijdens het apartheidsregime hebben begaan, amnestie te krijgen van de Waarheidscommissie. De vijf zeiden te “twijfelen aan de verklaring van F.W. de Klerk in de getuigenis van de Nationale Partij tegenover de Commissie”. De voormalige president zei in augustus dat hij nooit betrokken is geweest bij schendingen van de mensenrechten. “Wij roepen de vorige regering en onze superieuren op bepaalde bevelen die aan ons werden gegeven en waarover wij zullen getuigen, uit te leggen en toe te geven dat zij opdracht gaven tot daden die buiten de normale processen van de wet omgingen”, aldus de vijf politiefunctionarissen. (Reuter)