SURFEN MET LANDMAN EN VOLWATER

Killer-loops en goiters op de Noordzee. De hele wereldtop van het windsurfen vaart deze week de finale van het wereldbekercircuit in Scheveningen, de eerste race om de World Cup in Nederland sinds 1991.

De gebruinde lijven en gebleekte haren doen wat onwezenlijk aan onder de grijze Hollandse hemel. Windsurfers voelen zich thuis op de stranden van Kaapstad, Maui, Tenerife en Paros. Ze varen deze week op de Noordzee. De laatste wedstrijd van het wereldbekercircuit is dit jaar in Scheveningen omdat de sponsors O'Neill en Philips banden hebben met Nederland. De wind is bijna altijd hard genoeg in oktober en van de kou hebben de zeilers kennelijk geen last meer.

In 1991 vonden de surfers het water één graad te koud en haakten ze op het laatste moment af. Dit jaar hebben ze beloofd onder alle omstandigheden te zeilen. “Natuurlijk vaar ik liever in een short”, zegt Peter Volwater, Nederlands beste surfer. “Maar in mijn wetsuit heb ik het gewoon warm. Pas bij zes graden wordt het te koud, dan vriezen je handen er af.”

De wedstrijd begon zaterdag en duurt tot en met donderdag. Dit weekeinde zijn er parcourtjes gevaren voor het racen. Als de wind toeneemt tot windkracht vijf of zes komen er ook golfritten met spectaculaire sprongen: salto's en variaties met wonderlijke namen als table top, psycho killer en goitor. Grote favoriet en aanvoerder in het klassement is Björn Dunckerbeck, die de afgelopen acht jaar wereldkampioen was. Zijn vader is Nederlands, hij vertrok voor de liefde naar Denemarken en later voor de zon naar de Canarische eilanden. Daarom vaart Dunckerbeck onder Spaanse vlag. Zijn vader was een windsurfer, zijn moeder zelfs twee keer wereldkampioen. “Het verschil met de rest is kleiner dan het lijkt”, zegt Dunckerbeck over zijn heerschappij. “Ik ben al twaalf jaar prof en word niet nerveus als ik vooraan vaar. Ik blijf koel, anderen raken opgewonden.”

De 26-jarige Dunckerbeck is zelfverzekerd en ontspannen, 1.91 meter lang en gespierd. “Zelfs als ik op vakantie ben, kan ik niet langer dan een half uur stil zitten. Ik wil surfen of snowboarden of mountainbiken. Ik heb actie nodig.” Hij loopt net zo makkelijk op blote voeten als in bergschoenen over de boulevard. Hij is met surfen miljonair geworden en geniet respect voor zijn stijlvolle sprongen. Surfliefhebbers (wijde T-shirts en truien van merken als Chiemsee en Quicksilver) die hem herkennen, vragen om een handtekening en stellen vragen.

Eind jaren tachtig had ieder gezin in Nederland een surfplank, nu is het een wedstrijdsport met een fanatieke aanhang, vertelt een van de importeurs. Surfen was groot van 1984 - toen Stephan van den Berg olympisch goud won - tot ongeveer 1990. Daarna is de sport vijf jaar lang gekrompen, surfen ging aan een hele generatie voorbij. Pas de laatste twee jaar groeit de sport weer. Wereldwijd surfen er tien miljoen mensen, waarvan de helft in West-Europa.

Door de ontwikkelingen in het materiaal is surfen ook makkelijker geworden. Een beginner kan na een paar lessen al snelheid maken. “En na de eerste keer planeren, is hij verslaafd”. zegt Dunckerbeck. Zijn vader heeft een surfschool op Gran Canaria en verhuurt ook planken voor gevorderden. “Dat is de toekomst”, zegt Dunckerbeck. “Je gaat ergens heen en huurt het nieuwste van het nieuwste. Als je zelf planken koopt is het niet bij te houden.” Een nieuwe allround-set voor beginners kost minder dan tweeduizend gulden, en topset voor 'wave' kost 3.700 gulden en voor 'race' (met dure carbon-masten) kost 6.400 gulden.

De enige Nederlander die dit jaar aan het volledige wereldbekercircuit meedeed is de 21-jarige Peter Volwater. Hij werd vorig jaar Europees kampioen op een produktieboard (zoals te koop in de winkel) en vond daardoor een sponsor die zijn onkosten wil betalen. Hij reist met tien tot twaalf boards en vijftien zeilen van Zuid-Afrika via Hawaii naar Venezuela. Meer dan tweehonderd kilo bagage. Voor race en wave zijn er verschillende planken, voor iedere windkracht een apart zeil.

Rijk wordt hij niet van zijn sport. De Tour voor de topsurfers heeft dit jaar 2,5 miljoen gulden prijzengeld en in totaal dertig miljoen gulden aan sponsoring, maar alleen de wereldtop verdient aardig. “De beste drie van de wereld verdienen veel, de rest heeft het zwaar. Je hebt zoveel onkosten. Ik surf omdat ik verslaafd ben. Dit eerste jaar was voor mij vooral een verkenningsjaar. Je hebt in Hawaii net weer ander materiaal nodig dan in Griekenland.”

Volwater raakt niet uitgepraat over zijn favoriete discipline: het waven, springen met de golven als springplank. Liefst golven van vier tot zeven meter, maar het mag ook tien meter zijn. “Je maakt snelheid en hoogte met alleen de golven en de wind, met alleen de natuur. Als je een moeilijke sprong onder de knie krijgt, als je hem kan 'landen' - meteen kunnen doorvaren - geeft dat een fantastische kick. Het aantal verschillende sprongen is niet meer bij te houden. Ik ben nu de gaitor aan het oefenen, een manoeuvre waarvan ze vijf jaar geleden nooit zouden hebben kunnen dromen. Je moet in slow-motion naar de video kijken om te zien wat er gebeurt. Ik ben pas halverwege gekomen. En als ik hem een keer heb, ga ik de volgende tien keer toch weer op mijn bek.”

Volwater is het voorbeeld van Ramses Landman, die dit jaar Nederlands kampioen werd en daarmee een wild-card verdiende voor de wedstrijd in Scheveningen. Landman surft eveneens fulltime, heeft sinds kort een sponsor en bereidt zich serieus voor op een wedstrijdseizoen. Maar vorig jaar leidde hij nog het ware surfersleven. Een paar weken werken tot je genoeg geld hebt om op pad te gaan.

Hij trok in de winter drie maanden naar Zuid-Spanje en leefde wekenlang in zijn bus tot een Nederlandse filmploeg hem kost en inwoning aanbood als de cameramensen zijn surfsprongen mochten vastleggen. “Ik leefde als een zwerver. Ik had mazzel dat ze me wilden filmen. De video is nog niet uit, ze zijn nog aan het monteren.”

Toen hij weer voldoende geld had, pakte Landman het vliegtuig naar Zuid-Afrika. Met andere surfers een huis huren en de hele dag het water op van het Bloubergstrand bij Kaapstad. “Van negen tot vijf op school zitten, dat trek ik niet”, zegt Landman.