De wil om te weten

Literatuur jrg. 13, sept./okt. Tweemaandelijks. Prijs ƒ 13,50

Hoewel Frits van Oostrom, hoogleraar Nederlandse Letterkunde in Leiden, afgelopen zaterdag de AKO Literatuurprijs kreeg uitgereikt voor zijn boek Maerlants wereld, is hij niet in de eerste plaats een schrijver. Hij is voor alles wetenschappelijk onderzoeker en als zodanig doet hij in boekvorm verslag van wat hij gevonden heeft of van wat hij veronderstelt, meent en leest over literatuur uit een bepaalde periode, in zijn geval meestal de middeleeuwen. Dat hij leesbaar kan schrijven is een aangename bijkomstigheid.

Zoals hij zaterdag op de televisie al zei, ging aan zijn Maerlant-studie zeven jaar onderzoek en één jaar schrijven vooraf en ook uit de in het tijdschrift Literatuur afgedrukte rede die Van Oostrom deze zomer aan de universiteit van Nijmegen hield, blijkt nog weer eens hoe hoog hij vooral het wetenschappelijk onderzoek heeft. Van Oostrom is een man van de wetenschap, iemand die zich graag moeite wil geven voor ook moeilijke en ontoegankelijke onderwerpen - en dat betekent lange tijd in alle rust en stilte werken.

Van Oostrom spreekt dan ook zijn bewondering uit voor de in 1988 overleden professor C.C. de Bruin: “Hij is voor mij nog steeds de verpersoonlijking van de geleerde pur sang, van een type zoals men het nauwelijks nog vindt: een onvermoeibare en hoogst geconcentreerde onderzoeker, die nagenoeg in stilte - om niet te zeggen in ascese - bergen werk verzette vanuit een onvoorwaardelijk en volmaakt integere toewijding aan de zaak zelve”. Het is duidelijk dat wie bij Van Oostrom gaat studeren niet in de eerste plaats moet streven naar de AKO Literatuurprijs maar gewoon op bibliotheken moet willen zitten. Eigenlijk zou er voor zulk werk een andere prijs beschikbaar moeten zijn dan een literaire, een prijs die recht doet aan de onderzoeksinspanning en aan de wetenschappelijke gedrevenheid, want dat zijn toch de belangrijkste verdiensten van Van Oostroms boek.

In die rede 'De verzuiling voorbij?' geheten, vraagt Van Oostrom zich af of met de ontkerstening ook de belangstelling voor en de bestudering van de Middelnederlandse geestelijke letterkunde zal verdwijnen. Dat er reden is om wat dat betreft te vrezen, omdat het gebrek aan kennis en ook vaak aan belangstelling voor geschiedenis sowieso en voor bijbelse geschiedenis meer in het bijzonder schrijnend is, demonstreert Van Oostrom met een tentamenformulier cultuurgeschiedenis dat eerstejaars neerlandici in Leiden moeten invullen. Er staan vragen op in de trant van 'in welke eeuw leefde Erasmus; koning Willem I; Johan de Wit etc.' of 'Tweetallen: Pyramus en...; Aeneas en....; Martha en...; Samson en...; Mozes en ...'

De wanhopige student wiens formulier ter illustratie is afgedrukt heeft geen flauw idee. Hij of zij 'weet' dat Erasmus in de 18de eeuw leefde en plakt nog wat eeuwen lukraak aan historische personages, maar voor de rest lijkt hem of haar niets op het tentamenformulier bekend voor te komen ('Welke naam hoort bij: Ik was mijn handen in onschuld; Eli, Eli Lama Sabachtani') want er is niet meer dan een groot vraagteken ingevuld. Onderaan staat de hartekreet: “Wat een ellendig begin van een nieuwe studie! M'n zelfvertrouwen heeft een flinke deuk opgelopen.” Van Oostrom meent dat deze bekentenis veelzeggend is voor “de geestesgesteldheid van zoveel tegenwoordige arbituriënten: hoeveel cultuurhistorische bagage ze ook missen, aan zelfvertrouwen geen gebrek.” Het is een komische passage, al is het wel treurig natuurlijk dat eerstejaars studenten zo helemaal totaal van niets weten.

Desondanks ziet Van Oostrom nog wel toekomst voor de bestudering van onzeoudere geestelijke letterkunde, want dat de studenten van niets weten betekent natuurlijk niet volautomatisch dat ze ook van niets wíllen weten.

Behalve deze instructieve rede is er nog veel meer leerzaams te vinden in Literatuur, een tijdschrift dat terecht als ondertitel heeft 'tijdschrift over Nederlandse letterkunde'. Een literair tijdschrift is het niet, het is meer een blad waarin de academie probeert om onderzoeksresultaten op een aantrekkelijke manier te presenteren aan niet-Neerlandici of aan buitenacademische Neerlandici. Dat levert vaak interessante artikelen op en omdat de andere literaire tijdschriften steeds schuwer lijken te worden voor behoorlijke secundaire beschouwingen is het almaar prettiger dat Literatuur er is.