'De spanningen lopen dagelijks op in Bujumbura'

Burundi wordt sinds 25 juli geregeerd door de Tutsi-generaal Paul Buyoya, die door een staatsgreep aan de macht kwam. Sindsdien boycotten de Afrikaanse buurlanden Burundi, om het regime te dwingen tot onderhandelingen met de Hutu-meerderheid.

BUJUMBURA, 21 OKT. Angstig zijn de overgebleven parlementsleden uit hun schuilplaatsen gekomen. Ze wonen, na de militaire staatsgreep eind juli, de heropening bij van het parlement in Bujumbura. Nog niet de helft van de volksvertegenwoordigers is aanwezig. Twintig leden van de Hutu-meerderheidspartij Frodebu werden de afgelopen drie jaar vermoord. Evenzovelen zijn het land ontvlucht en sloten zich aan bij de gewapende Hutu-oppositie. Zelfs de meeste leden van de Tutsi-partij Uprona laten het afweten. Leonce Mgendakumana, voorzitter van het parlement en Frodebu-lid, houdt een korte openingsrede en verklaart de zitting onmiddellijk weer voor gesloten: eerst dient er een quorum te zijn en de militaire president Pierre Buyoya moet de opgeschorte grondwet in ere herstellen. De 24 Frodebu-leden applaudisseren, de 10 Uprona-parlementariërs staren ongeïnteresseerd voor zich uit. Waarna de Frodebu-leden onder begeleiding van hun lijfwachten terugkeren naar hun onderduikadressen.

De in 1993 ingevoerde parlementaire democratie in Burundi is speelbal geworden in de dodelijke competitie tussen twee antagonistische bevolkingsgroepen, de Hutu's en de Tutsi's. In plaats van bij te dragen aan verzoening wakkerden de twee langs tribale lijnen gevormde partijen Frodebu en Uprona de xenofobie aan. “Laten we realistisch zijn: alle pogingen van de politieke partijen om vrede te stichten zijn mislukt”, erkent Vénérand Bakevyumusaya, Frodebu-lid en ex-minister van Buitenlandse Zaken. Hij is een van de laatste gematigde Hutu-politici in het land die niet de wapens willen oppakken. “Buyoya moet alle gewapende groepen en politieke partijen aan de onderhandelingstafel uitnodigen. Frodebu kan nooit alleen regeren, ook al vertegenwoordigen wij de meerderheid.” Voor Charles Mukasi, leider van de oppositionele Tutsi-partij Uprona, is ieder compromis uitgesloten. Frodebu zou verboden moeten worden wegens zijn gewelddadige karakter. “Praten met de Hutu-guerrillabeweging is voor iedere politicus levensgevaarlijk. Onderhandelen met tribalisten die oproepen tot genocide tegen de Tutsi's, brengt ons geen vrede.” Nog onverzoenlijkere geluiden vallen te horen in het Tutsi-kamp. Een hoge militair in het Tutsi-regeringsleger zegt: “Als de guerrillaleider Nyangoma naar Bujumbura komt voor onderhandelingen, dan knopen we hem op aan een lantaarnpaal.”

De nationale verzoening die de politici met hun hopeloze gekrakeel in het parlement niet wisten te bewerkstelligen, willen de buurlanden nu afdwingen door een totaal embargo van Burundi. “De sancties hebben gewerkt”, zegt een buitenlander betrokken bij besprekingen met het regime. “Buyoya zegt nu te willen onderhandelen, dat had hij vóór het instellen van de sancties twee maanden geleden nooit gezegd. De grootste boosdoener in het Burundese conflict blijft het Tutsi-regeringsleger. De sancties dienen te worden voortgezet om druk op het regeringsleger uit te oefenen.”

De meerderheid van de Westerse diplomaten in Bujumbura denkt er anders over. “De druk van de sancties valt eenzijdig op Buyoya”, meent een diplomaat, “de andere kant, de guerrillaleider Nyangoma, spint daar garen bij en is nu veel minder geïnteresseerd in onderhandelingen. De sancties hebben geleid tot een sterke radicalisering van alle partijen.” Is de gematigde Buyoya de laatste optie om een genocide in Burundi te voorkomen of is de Tutsi-militair een gevangene van zijn eigen belangengroep, de Tutsi's en de strijdkrachten? Wanneer hij als redder wordt gezien, dan werkt het embargo averrechts. “Als Buyoya niet snel resultaten kan laten zien om zijn coup te rechtvaardigen, dan zullen Tutsi-radicalen hem opzij schuiven. Met het land onder een totaal embargo vindt er alleen maar verslechtering plaats. Er circuleren al pamfletten onder Tutsi's in de stad om te gaan demonstreren tegen Buyoya.”

Onderhandelingen met de CNDD (Nationale Raad voor de Verdediging van de Democratie) van Léonard Nyangoma vormt de belangrijkste eis van de buurlanden om het embargo op te heffen. Het betreft voor Buyoya ook de moeilijkst in te willigen eis. Iedere keer dat in het verleden een Burundese regering concessies wilde doen aan het gewapende verzet, stak het leger daar een stokje voor. De belofte van president Buyoya vorige week aan de regionale leiders om onderhandelingen te openen, werd daarom drie dagen later door zijn premier weer teruggedraaid. Afgezanten hebben al contacten gelegd tussen Buyoya en Nyangoma, maar Buyoya voelt zich nog onvoldoende in zijn rug gedekt om openlijk het overleg te beginnen. Het kan hem zijn kop kosten.

Sancties hebben vooral een psychologisch effect op de Tutsi-elite in de van Hutu's gezuiverde hoofdstad Bujumbura, van grootschalige nijpende tekorten is nog geen sprake. Buurland Rwanda schendt de regionale afspraken over de sancties. De grensovergangen zijn open voor personenvervoer en ook goederen komen Noord-Burundi binnen. Het zijn de aanvallen van Hutu-rebellen op de weg van Bujumbura naar Rwanda die voorkomen dat deze goederen de hoofdstad bereiken. Brandstof voor Bujumbura komt uit Zaïre door smokkel van privé-handelaren. Ook aan voedsel bestaat in het vruchtbare Burundi geen groot gebrek. Hulpgoederen vallen eveneens onder het embargo. Hulporganisaties melden een tekort aan diesel en aan medicijnen, er zijn bijvoorbeeld geen geneesmiddelen voor tuberculose voorhanden.

De sancties kunnen op de iets langere termijn de doodsklap voor de economie betekenen, waarschuwen zakenlui. Een aanzienlijk deel van de economie is genationaliseerd. Waar de sancties het hardst bijten is daarom in de staatskas: de overheid blijft vrijwel verstoken van inkomsten. Om aan financiën te komen zal de regering zelf de smokkel moeten gaan organiseren. Ministeries functioneren nauwelijks meer, ambtenaren en soldaten kregen vorige maand slechts de helft van hun salaris uitbetaald, honderden arbeiders in vooral de produktie- en bouwsector verloren hun banen en de armen onder hen moeten het met slechts één maaltijd per dag stellen. Zelfs de nationale bierfabriek dreigt binnenkort te moeten sluiten.

“De spanningen lopen dagelijks op in Bujumbura”, zegt Prosper Banyonkiye, hoofd van het secretariaat dat leiding geeft aan de staatsbedrijven. “Hoelang we deze situatie nog zullen tolereren? Tot er in onze psyche iets knapt. Als gevolg van het embargo stellen wij Tutsi's ons steeds vijandiger op tegen de buitenwereld en zijn daarom steeds meer bereid radicale politici te steunen. En als de extremisten aan de macht komen, zal Burundi in een Hutu- en een Tutsiland splitsen.”

Het embargo heeft de politici nog niet tot inkeer gebracht. De Hutu-guerrillastrijders tonen zich weigerachtig om te onderhandelen over waarborgen voor de Tutsi-minderheid. De Tutsi's op hun beurt geven geen enkele indicatie hun historische dominantie te willen opgeven om een deel van hun macht te delen met de Hutu-meerderheid. “Er bestaat een stemming onder ons Tutsi's dat we moeten sterven”, drukt een Tutsi-intellectueel het uit. “Als we dan toch moeten sterven, laten het dan niet door honger zijn als gevolg van het embargo maar door een kogel in de strijd.”