Citaten maken van Adès zijn eigen opa

Concert: Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Hans Vonk, m.m.v. Han de Vries hobo. Werken van Andriessen, Maderna, Adès en Strawinsky. Gehoord 18/10 Concertgebouw Amsterdam.

Over geschreven plagiaat is altijd veel te doen, maar in de muziek is het doodgewoon. De hele middeleeuwse meerstemmigheid betreft arrangementen van bestaande melodieën en zelfs verzamelingen met dansen en chansons uit de zestiende eeuw bevatten meer plagiaat dan oorspronkelijke composities.

Wat te denken van Louis Andriessens Anachronie I, een typische jaren-'60 compositie, waarmee het Concertgebouworkest de Première Serie opende? Muziek naar recept van de Amerikaanse muzikale anarchist Charles Ives in een collage van alle mogelijke orkestclichés. Celesta, piano en elektronisch orgel, stonden bij de première, maar nu niet opgesteld rond de dirigent. Voeg daarbij vibrafoon en er ontstaat een Boulez-cliché.

Naast 'Poolse' strijkerspassages klinken popmuziek en Brahms Haydn variaties. Een thema uit Roussels Derde symfonie verloopt in een twaalftoonspassage, waar het viertonig uitgangspunt een zowel tonaal als atonaal vervolg mogelijk maakt. Meer verscholen zijn citaten uit Bachs Matthäus Passion en Hendrik Andriessens mis Christus Rex. Andriessens collage blijft aangenaam gedreven en afwisselend, maar de schokwerking is grotendeels verdwenen. Hans Vonk dirigeerde het trouwens sec, zonder enig sadistisch genoegen. Wat nog wel indruk maakt en zelfs meer dan destijds is het uitgedunde Boulez-slot met zijn vreemd stokkende, spanning verwekkende rusten.

Hoe anders pakt dit citeren uit in een compositie van Thomas Adès onder de titel ...but all shall be well uit 1933. Als Andriessen zijn gezicht wat bijpoedert, dan ziet Adès eruit als zijn eigen grootvader. Wat bij Andriessen spel is is bij Adès een serieuze zaak. Het neo-impressionistisch idioom met vage referenties naar Mahler en Liszt klinkt weeïg gevoelig en het eigen materiaal is volstrekt oninteressant.

Nu stond zijn muziek ingeklemd tussen Bruno Maderna's Derde hoboconcert en Strawinsky's Chant du Rossignol en dan val je al gauw door de mand. Elke uitvoering door Han de Vries van Maderna's laatste werk zal emotionele herinneringen oproepen aan die eerste uit 1973 onder leiding van de zwaar zieke componist.

Geen wonder dat De Vries afstand deed van de mogelijkheden die de mobiele structuur hem hier biedt, een typische jaren-'70 verworvenheid, maar teruggreep op de vorm die hij destijds met Maderna had uitgewerkt. De meest ontroerende, om niet te zeggen magische, momenten ontstonden in de zwevende solopartij, hoogst doorzichtig geïnstrumenteerd, met frases slank en sereen, geenszins week, laat staan weeïg. Toch had ik mij meer rust en bezonkenheid gewenst in de vrij uitademende beweging.