VOOR ALTIJD VERLIEFD OP VOETBAL

In de trainerskamer van stadion Camp Nou, waar Johan Cruijff acht jaar lang domicilie hield, huist nu een keurige Engelsman. Bobby Robson zit vooralsnog hoog en droog bij FC Barcelona. Met hulp van een weergaloze Ronaldo staat de Engelse trainer bovenaan in Spanje. “Ik weet niet of ze hier een tweede plaats van me zullen accepteren.”

Sporting Lissabon zou zijn laatste werkgever worden, verkondigde hij bij zijn vertrek bij PSV in 1992. Maar de 63-jarige Bobby Robson is er nog steeds. Na Sporting volgde FC Porto, dat door de Brit na twee Portugese titels onlangs werd ingeruild voor Barcelona. Daar kwam hij na de ongenaakbaar geachte Johan Cruijff. “Natuurlijk is het niet makkelijk om Cruijff op te volgen”, zegt Robson. “Hij is een legende hier. Ik heb veel respect voor wat hij als voetballer en trainer heeft bereikt. Maar ik heb mijn eigen verleden. Ik ben bondscoach van Engeland geweest, niet één of twee, maar acht jaar. En een moeilijker baan dan je land aan te voeren, is er niet.”

Hij zegt geen moment te hebben geaarzeld over het aanbod van Barcelona. “Die is voor mij, dacht ik. We hebben het wel over de grootste club ter wereld. Er zitten hier elke thuiswedstrijd 120.000 mensen in het stadion. Waar anders heb je dat? Heb je gezien wat er hier rondom een doodgewone training gebeurt? Ik wist dat het een geweldige club was, maar nu ik hier werk verbaas ik me nog over veel dingen.”

Robert William Robson loodst zijn bezoek mee naar een enorme ontvangstruimte naast de kleedkamers. Het is al twee uur na de training. De spelers zijn weg, maar toch staan er nog steeds journalisten te wachten. De trainer oogt vermoeid. Hij heeft zich lang onderhouden met voetbalmakelaar Bob Maaskant over het trainingskamp van volgend seizoen en met zijn assistent José Mourinho over de Europese tegenstander Rode Ster. Robson zegt weinig tijd te hebben, maar de meegebrachte fles Hollandse jenever doet wonderen. Hij gaat er goed voor zitten. Bij het afscheid, een dik uur later, vraagt hij zijn gast nog even goed om zich heen te kijken. “Wat een schitterende zaal, hè. Wat een club!”

Op het trainingsveld is te zien dat de veteraan nog steeds blaakt van energie. “I am in love with football”, zegt Robson naderhand. “Het is mijn leven. Ik heb het nodig, kan niet zonder. Ik denk dat ik een moeilijk mens zou zijn als er geen voetbal meer was. Voetbal is alles voor me en daarom kan ik ook alles geven. Als je succesvol bent, zoals ik in Portugal, is het ook makkelijker om door te gaan. Succes vraagt om nog meer succes.”

Robson spoort op de training zijn spelers voortdurend aan en doet oefeningen voor. Mas rapido, mas rapido! Si, si! De Spaanse kreten klinken curieus uit een Engelse mond. Maar de spelers begrijpen het. De supporters langs de kant reageren op het verbale geweld van de trainer. Ze lachen hem toe, want Barcelona staat bovenaan. En dan schijnt de zon en kan en mag alles.

Robson weet dat hij moet blijven winnen. “Vorige week stonden we op de tweede plaats. We hadden hetzelfde aantal punten als Real Madrid, maar zij hadden net een beter doelsaldo, het scheelde één doelpunt. Maar wat gebeurde hier? Er was paniek, gerommel, rumoer. Dat kon ik voelen. En het is pas september! Nu kan je de titel nog niet winnen. Dat gebeurt pas in mei of juni. Maar zo gaat dat bij een club als Barcelona. Het verschil tussen succes en geen succes is zo dun als papier. Daar moet je als trainer mee leren omgaan.”

Toch slaapt hij goed, zegt Robson. “Als ik door het voetbal niet goed meer zou kunnen slapen, dan is de tijd aangebroken om te stoppen. Want dan wordt het gevaarlijk.”

De ogen van de critici branden in zijn rug. De Spaanse pers vindt hem ouderwets in zijn opvattingen en zijn voorganger Cruijff heeft een seizoenkaart. “Ik kan hem moeilijk wegsturen”, zegt de nieuwe trainer. “Johan heeft ook het recht om hier te komen. Ik denk wel dat hij me op eerlijke wijze beoordeelt. We zijn collega's. Oké, hij zit met de pers opgescheept die wil dat hij bepaalde dingen roept.” Robson en Cruijff hebben elkaar na de trainerswisseling nog niet ontmoet. “Dat hoort niet in de voetballerij. Maar we zullen elkaar nog wel tegenkomen.” Wat zal hij dan tegen Cruijff zeggen? Robson denkt na. “Ik weet het niet. Hallo, hoe gaat het? Hoe bevalt het leven nu?”

Eén van zijn beslissingen na zijn aanstelling was om de zoon van zijn voorganger, Jordi, te laten vertrekken. Robson ontkent dat dat is gebeurd onder druk van het Barcelona-bestuur. “De voorzitter vroeg me wat ik met Jordi Cruijff wilde. Daar heb ik even over nagedacht. Jordi belde me zelf op, een aardige jongen. Hij wilde hier blijven. Maar ik achtte het in het beste belang van alle partijen dat hij naar een andere club zou gaan. Johan weg, misschien was het voor de zoon dan ook beter om te vertrekken. Ik heb Jordi zelf aan Manchester United geholpen. Alex Ferguson was onder de indruk van hem. Na Barcelona hoorde hij ook naar een andere grote club te gaan en, met alle respect, niet naar Heerenveen, Roda of Leicester.”

De twee Cruijffen verdwenen uit Camp Nou, Ronaldo kwam als de nieuwe attractie. Als de naam van de Braziliaan valt, schudt Robson het hoofd. Hij sist, blaast en heft de handen ten hemel. “Ronaldo is een fenomeen! Hij heeft zo veel talent en is zo snel met de bal. Hij is nog een beetje beter dan ik had verwacht. Hij kan de bal vanaf de middenlijn naar het doel brengen. Dat kunnen maar weinig spelers, Maradona, George Best. Heb je die goal van Ronaldo tegen Compostela gezien? My god, ongelooflijk!”

De trainer maakte in zijn periode bij PSV een andere Braziliaanse wonderboy mee, Romario. Robson schudt weer het hoofd. “Dat was ook een geweldige speler.” Maar Romario had een ander karakter dan Ronaldo, zegt Robson. “Ik wil eigenlijk niet vergelijken. Dat geeft alleen maar problemen. Ronaldo heeft meer respect voor de dingen om hem heen. Romario had moeite om normaal te doen. Soms wilde hij niet trainen. Dan was ik machteloos. Luister Romario, heb ik hem gezegd, je bent een ster, maar als je wilt kan je een superster worden. Een superster is super, begrijp je, in alles. Dus een superster voelt zich niet verheven boven de rest van de wereld. Hij moet ook bescheiden kunnen zijn.”

“Ik denk dat Ronaldo anders is. Hij is een lieve jongen. Maar misschien was Romario ook wel zo toen hij twintig jaar was. Ronaldo heeft het in zich om de beste speler van de wereld te worden. Het is te hopen dat hij de discipline kan opbrengen het goede leven niet helemaal in te ademen. We moeten hem daarbij helpen, hem beschermen. Hij moet goede, verstandige mensen om zich heen hebben. Ronaldo, be a good boy! Hij heeft de wereld aan zijn voeten.”

Robson deed eerst pogingen om landgenoot Alan Shearer als nieuwe spits aan te trekken. “Ik heb altijd Ronaldo willen hebben. Barcelona bood twaalf miljoen dollar, maar PSV zei nee. Veertien miljoen, nee. Toen heb ik naar Shearer geïnformeerd. Die was niet te koop, zeiden ze bij Blackburn Rovers. Kwamen we toch weer bij Ronaldo terecht. Zestien miljoen, zeventien miljoen, voor twintig miljoen konden we hem eindelijk kopen.”

Het is ontstellend veel geld. Dat vindt Robson ook. “Maar wat is te gek? Het is te gek als je twintig miljoen dollar betaalt en de speler faalt. Ik was overtuigd van Ronaldo. Dat heb ik ook tegen de voorzitter gezegd. Betaal het geld! Koop hem! 'Bobby, als jij het wilt, halen we hem', zei Nunez. Ik wilde de beste en Barcelona kon het zich blijkbaar veroorloven. Is het dan te veel geld? Als je het over een periode van acht jaar berekent, dan is het een geweldige investering.”

In totaal kocht Barceloma dit seizoen voor 65 miljoen gulden aan spelers. De selectie is een bont gezelschap van grote namen en verschillende nationaliteiten. “Maar Spaans is de voertaal”, zegt Robson. “Bijna iedereen spreekt het. Blanc, een Fransman, heeft Spaanse les, net zoals ik. Het kost meer dan een jaar om een taal echt goed te spreken, maar in Portugal kon ik zonder een tolk de training leiden.” Bij PSV had hij het geluk dat bijna iedereen Engels sprak. Lachend roept hij een paar Nederlandse woorden. Héél moeilijk, héél makkelijk, héél belangrijk!

PSV was zijn eerste baan buiten Engeland. Robson moest er aan wennen om niet, zoals in Engeland, alles zelf te regelen. In Eindhoven zat manager Kees Ploegsma er voor de zakelijke beslommeringen. “Kees was een goede vent. Er wordt wel beweerd dat we problemen hebben gehad, maar dat is niet waar”, aldus Robson. Hij zegt met plezier aan zijn tijd bij PSV terug te denken. “Holland, o ja, Holland!” Hij werd in twee jaar tijd twee keer kampioen, maar de echte waardering voor de Brit kwam pas na zijn vertrek.

PSV en Robson gingen na goed overleg uit elkaar, was destijds de lezing. Maar in werkelijkheid móest de trainer weg, geeft hij nu toe. “Als ze het me hadden gevraagd, was ik graag gebleven”, bekent Robson. “We wonnen twee titels, de eerste voor een groot deel zonder Romario die vijf maanden geblesseerd was. Maar in Europa ging het niet goed. Dat was teleurstellend. Ik denk dat ze daarom wilden veranderen. Dat kwam voor mij wel als een verrassing.”

Toch zegt Robson geen kwaad woord over de toenmalige voorzitter Ruts die hem altijd met respect behandelde. Later maakte hij het wel anders mee met clubleiders. Bij Sporting Lissabon werd Robson de laan uitgestuurd na één Europese nederlaag. “We stonden bovenaan in de competitie. Dat was in twaalf jaar niet meer gebeurd. We moesten naar Austria Salzburg toe met een jonge, onervaren keeper. Onze eerste man was geblesseerd. Er gingen twee doelpunten van 35 meter in en we werden uitgeschakeld. Bij terugkeer zei de voorzitter dat hij een andere trainer wilde. Wat?! Waarom?!” Robson kan zich er nog over opwinden. Zijn ogen spuwen vuur. “Die voorzitter van Sporting hoort niet in het voetbal thuis. Hij is verantwoordelijk voor mijn enige ontslag in 25 jaar!”

In Zuid-Europa gelden nu eenmaal andere voetbalnormen dan in landen als Engeland en Nederland. Robson: “Bij ons en bij jullie verlies je een keer en zeg je: oké, volgende week beter. Maar in deze streek is men zo ongeduldig. Twee nederlagen en ze willen meteen iets anders.” Hij kent ook de verhalen dat hij bij Barcelona slechts de tijd moet overbruggen totdat een andere, jongere toptrainer kan worden binnengeloodst. De namen van de Spaanse bondscoach Javier Clemente en Louis van Gaal worden genoemd. “Wat moet ik daar nou mee?”, reageert Robson schouderophalend. “Ik kan kranten niet verbieden iets te schrijven. Ik moet het niet lezen en gewoon doorgaan met mijn eigen leven. Ik heb hier een contract voor twee jaar getekend. Ik ben dus de baas.”

Hij is een oude bekende van de eigenzinnige Barcelona-voorzitter Nunez. Robson werd, voor Cruijffs tijd, twee keer eerder benaderd om trainer van rood-blauw te worden, maar toen zat hij vast bij Ipswich Town en de Engelse voetbalbond. Wel was hij jarenlang een officieuze adviseur van Nunez. “Hij is zeer behulpzaam en laat me mijn gang gaan”, zegt Robson over zijn huidige baas. Maar de Engelse trainer beseft dat Nunez maar één ding wil: succes, titels! Met deze spelersgroep móet Robson wel Spaans kampioen worden.

“Ik weet niet”, zegt Bobby Robson tot slot, “of ze hier een tweede plaats van me zullen accepteren. Met Cruijff zou dat anders zijn. Dat is logisch. Hij heeft bij Barcelona in acht jaar alles gewonnen wat hij kon winnen. En ik heb hier nog niets gepresteerd. Maar Johan maakte altijd problemen, altijd ruzie. Als hij zich een beetje had ingehouden, zou hij hier de rest van zijn leven trainer zijn geweest.”