Veldslagen om ribbroek en haarlengte

Shake, Rattle & Roll. Maandag 19.30-20.20

Frans Bromet: “Het begon ermee dat je je scheiding aan de andere kant deed. En het draaide er op uit dat je helemaal geen scheiding meer in je haar had.”

Constant Meijers: “Het feit dat ik een broek van ribfluweel wilde stond voor mijn ouders al zo ongeveer gelijk aan een invasie van de Russen.”

Bromet: “Ik vond The Beatles niet eens zo goed, eigenlijk. Wel aardig. Maar het werd onontkoombaar. Ze waren het enige onderwerp van gesprek. Al probeerde ik nog wel eens te zeggen dat ik Charles Aznavour veel beter vond.”

Constant Meijers (51) en Frans Bromet (52) hebben een zesdelige tv-serie gemaakt over de invloed van popmuziek op de Nederlandse jeugdcultuur, Shake, Rattle & Roll. Shake, Rattle & Roll laat zien hoe het naoorlogse Nederland transformeerde van een verzuilde, door ouders en ouderen geregeerde samenleving tot een vrijzinnige welvaartstaat. De opkomst van de rock 'n' roll (en later popmuziek) was een van de krachten die deze verandering heeft geforceerd. Jongeren, die in de jaren vijftig nog de helft van hun loon moesten afdragen aan hun ouders en weken spaarden voor een singletje, leefden in de jaren zeventig van een uitkering. Anarchistische punkkrantjes werden gefinancierd met staatssubsidies.

Iedere aflevering van Shake, Rattle & Roll behandelt een tijdperk en de bijbehorende muziekstroming. Het eerste deel, met de naam 'Een arbeider op het podium' (verwijzend naar Elvis Presley), beslaat de jaren veertig/vijftig en de opkomst van de rock 'n' roll. Frans Bromet interviewde een aantal Nederlanders die toen jong waren: Harry Castelein, de katholieke banketbakkerszoon die met behulp van een fietsdynamo een elektrische pick-up fabriceerde om de plaatjes van Elvis te draaien; mevrouw Wagenaer voor wie dansen op rock 'n' roll-muziek de grootste bevrijding van haar leven betekende; André van der Louw die ondanks zijn liefde voor de jazz langzaamaan aan The Beatles begon te wennen.

De rock 'n' roll bracht rebellie, want jongeren wilden alles anders dan hun ouders. Of het nou ging om kleren of de seksuele moraal - binnenshuis werden veldslagen geleverd. Karakteristiek voor die tijd waren de armoe en de strenge scheiding van geloof en van klasse. Harry Castelein moest 's ochtends voor school de broden uit de bakblikken halen, en zat dan onder de les te slapen. Diezelfde Castelein verliet met grote ruzie het ouderlijk huis omdat hij geen verkering mocht hebben met een meisje (nu zijn echtgenote) uit de arbeidersklasse.

Meijers: “Tot de komst van rock 'n' roll was het leven van jongerengeorganiseerd in clubs. Iedereen hoorde wel ergens bij, bij de padvinderij, de gymnastiekvereniging, de socialistische jongeren of bij een kerkelijke beweging. Toen die populaire muziek opkwam wilde niemand meer naar de kerk en de clubs liepen Ieeg. De jeugd werd steeds moeilijker te hanteren.” Bromet: “Er waren heel wat irritaties tussen ouders en kinderen.” Meijers: “Mijn moeder ging al huilen toen ik met een singletje thuis kwam van Ella Fitzgerald.” Bromet: “Wij waren van huis uit socialistisch en ik mocht geen vriendjes mee naar huis nemen die thuis De AVRO-bode lazen.” Meijers: “Voor onze ouders ging het er vooral om ons onder de duim te houden. Iedere verandering was een bedreiging.”

Bromet: “Als ik weer eens iets onbehoorlijks had gedaan zei mijn moeder altijd dat ze me zou laten opnemen in het jongensgesticht. Dan pakte ze de telefoon, draaide een nummer en zei 'Komt u hem maar halen'. Ik wist niet wat het jongensgesticht was, maar het leek me het evenbeeld van de hel. Als ik dan vreselijk begon te janken en protesteren zei mijn moeder tegen de hoorn 'Nu goed, ik kijk het nog één keer aan'.”

Meijers: “Toen ik in Amsterdam ging studeren, mochten mijn jongere broers en zussen niet bij me op bezoek komen. Want dan zouden ze thuis maar weer lastigzijn.”

Bromet: “Langzamerhand werd dat toezicht houden wat minder. Maar om dat te bereiken moest je je ouders eerst veel verdriet aandoen.” Meijers: “Ik maakte ze te schande door me door de politie te laten oppakken en thuis te laten afleveren. Dan liep de hele buurt uit.” Bromet: “Ik ben blijven zitten, dat vonden mijn ouders zo ongeveer het ergste dat ze had kunnen overkomen.” Meijers: “We provoceerden graag met onze langharige kapsels. Maar de kappers waren handlangers van je ouders dus die knipten het toch altijd korter dan je wilde. Gelukkig verschenen in Hitweek de adressen van betrouwbare kappers.”

Bromet: “Ik had niet eens zoveel met rock 'n' roll. En eind jaren zestig was ik ook geen voorstander van die democratiseringsgedachte. Ik vond vooral het gedoe er om heen interessant. Ieder zaterdagavond dat waterkanon op het Spui, de belegering van het Telegraaf-gebouw, dan stond ik vooraan.”

Tussen de interviews door toont Shake, Rattle & Roll opnamen van de muzikanten die in de gesprekken genoemd worden. In de eerste uitzending figureren een duivelse Little Richard met Lucille, De Bietenbouwers en het Orkest Zonder Naam. In de vijfde aflevering, over punk, is veel aandacht voor de Sex Pistols, en Iggy Pop bij Toppop. Maar al veranderen de muzikale stijlen in de loop van de jaren, Shake, Rattle & Roll laat zien dat het eigenlijk niet uitmaakt om welke muzieksoort het gaat, de verschillende stromingen vervullen bij hun aanhang toch een zelfde behoefte.

Verzet tegen de gevestigde orde, jezelf willen zijn, expressie - ze gelden net zo goed bij de liefhebbers van house als van rock 'n' roll. Ook de 'schaal' blijkt niet veel te verschillen. Jongeren in de jaren vijftig vochten om spijkerbroeken en haarlengtes. Diana Ozon, in de uitzending over punk (eind jaren zeventig), noemt 'vrijheid' als grootste verworvenheid van de punkbeweging. Op Bromets vraag wat voor soort vrijheid ze bedoelt, staat Ozon op en klimt op de bank. “Gewoon om met tien sprongen tegelijk van de trap te kunnen gaan. En over tafel te lopen, nog wel over mijn dure computer. Dat dat nu zomaar kan. Mijn oma zou een hartverlamming krijgen als ze me zo ziet.”