Twijfel over identiteit van moordenaar Palme blijft

ROTTERDAM, 19 OKT. Hans Ölvebro, hoofdcommissaris van politie in Stockholm, heeft vakantie als hij op 27 september hoort dat Eugene de Kock, de voormalige leider van een Zuidafrikaans doodseskader, voor een rechtbank in Pretoria 'superspion' Craig Williamson heeft aangewezen als moordenaar van Palme. Toch vindt Ölvebro, belast met het onderzoek naar de moord op de Zweedse premier in februari 1986, het niet nodig om er vervroegd voor naar huis terug te keren.

Ölvebro lijkt de enige die zich niet gek laat maken. De Zweden vergeten onmiddellijk de enquête van een paar jaar geleden waarin een meerderheid zich uitsprak voor het staken van het onderzoek, ook als daarmee de belangrijkste moordzaak uit de Zweedse geschiedenis onopgelost zou blijven.

Deze week keerde Ölvebro terug van een bezoek aan Zuid-Afrika, samen met hoofdofficier van justitie Jan Danielsson. De reis is volgens Danielsson niet voor niets geweest. In een gesprek met Eugene de Kock hebben ze “nieuwe informatie” gekregen, waaronder “feiten die nog niet eerder in de media zijn verschenen”.

In de eerste dagen na De Kocks bekentenis rollen politie en justitie over elkaar heen met wisselende verklaringen. Lars Jonsson, Ölvebro's plaatsvervanger, zegt dat de naam van Williamson ook een paar weken na Palme's dood al door de Engelse geheime dienst MI6 is genoemd. Officier van justitie Danielsson bevestigt dat en weet ook nog te vertellen dat Williamson zich op het tijdstip van de moord bevond in een appartement op een paar honderd meter van de moordplek; een huis dat hij huurde van de Zweedse politievakbond. Maar Danielsson wordt op de vingers getikt door zijn meerdere. Hij heeft voor zijn beurt gesproken en doet er verder het zwijgen toe.

De kalme reactie van commissaris Ölvebro is niet onbegrijpelijk. Het dossier over Palme's dood is van het soort dat nooit echt gesloten zal worden zolang de moordenaar niet is gevonden, maar het ligt al jaren onder een steeds dikkere laag stof. Ölvebro heeft meer namen horen noemen. Twee weken nadat Palme op de hoek van de Sveavägen en de Tunnelgatan in Stockholm wordt doodgeschoten, arresteert de politie ene Viktor Gunnarsson; vijf dagen later staat hij alweer op straat. Er worden vijf Koerden opgepakt, na vermoedens dat de Koerdische afscheidingsbeweging PKK iets met de moord te maken zou hebben; het spoor loopt dood en het onderzoeksteam wordt ontbonden als het hardnekkig aan de Koerdische connectie vasthoudt. Er duiken ook geruchten op dat Zuid-Afrika bij de moord betrokken zou zijn. Het motief ligt voor de hand: Palme behoorde tot de felste internationale critici van de apartheid en handhaafde een strikte economische boycot tegen Zuid-Afrika. Maar zo zijn er ook sporen die wijzen in de richting van Iran, Chili en zelfs de VS - volgens Ölvebro evenzovele zeepbellen die uit elkaar spatten als ze stevig worden vastgepakt.

Zelfs de 'ensam galning' (eenzame gek, zoals de Zweedse kranten hem nog steeds noemen) Christer Petterson, die in 1988 door Lisbet Palme, de vrouw van de premier, als dader wordt herkend, komt later vrij omdat de Zweedse wet een veroordeling alleen op grond van ooggetuigenverklaringen verbiedt.

Deze keer is de beschuldiging serieuzer, en het blijft niet bij die ene van De Kock. Diens voorganger, Dirk Coetzee, bevestigt Williamsons betrokkenheid. Maar hij was er volgens Coetzee niet de man naar om zelf de trekker over te halen. Dat zou gedaan zijn door Anthony White, een voormalig lid van de Rhodesische veiligheidsdienst. Zweedse kranten beweren dat White zich in Mozambique “verborgen” houdt. Hij zou er eigenaar zijn van een fabriek die als “dekmantel dient voor zijn criminele activiteiten”.

In een telefoongesprek met de Zweedse ambassade in Zuid-Afrika ontkent White iedere betrokkenheid. Hij runt sinds 1986 - toevallig het jaar waarin Palme werd doodgeschoten - een meubelbedrijf in het Mozambikaanse Beira en leidt daar volgens zakenrelaties een keurig, bescheiden en vreedzaam leven; al wordt hij in verschillende landen gezocht wegens moord en is hij in een boek beschuldigd van jacht op beschermde dieren.

Er duikt nog een naam op: Bertil Wedin, een Zweed die in de jaren zeventig en begin jaren tachtig klusjes uitvoerde voor de veiligheidsdienst van zijn land. Weer een ander ex-lid van de Zuidafrikaanse geheime dienst heeft persoonlijk van Wedin gehoord dat hij voor de moord verantwoordelijk zou zijn. Wedin, een man met recht-extremistische sympathieën en in 1983 ontmaskerd als spion voor Zuid-Afrika, zou ook degene zijn geweest die de politie op het spoor zette van de Koerden. Wedin noemt verhalen over zijn betrokkenheid “absurd”. Hij was zegt hij, op het tijdstip van de moord thuis op het Turkse deel van Cyprus, “waar ik lag te slapen naast mijn vrouw”.

Welke nieuwe feiten Ölvebro en Danielsson deze week in Zuid-Afrika hebben gehoord, wilden ze niet zeggen. Misschien dat de uitspraken van de ex-chef van de Stockholmse politie Tommy Lindström, die op eigen houtje naar Zuid-Afrika afreisde voor een gesprek met De Kock, een tipje van de sluier oplichten. “Ik geloof niet dat de dader Zuidafrikaan is”, zei Lindström na terugkeer in Stockholm op 6 oktober, volgens De Kock zou “de moordenaar van Palme in Turkije te vinden zijn”. Het zal nog wel even duren voordat het dossier-Palme definitief gesloten kan worden.