Toekenning aan Ramos Horta zal op Oost Timor averechts werken; Nobelprijs voor verkeerde man

Met de toekenning van de Nobelprijs voor de vrede aan leider Ramos Horta van de Oosttimorese bevrijdingsbeweging, is een oplossing voor het al jarenlang slepende conflict tussen Indonesië en de opstandige provincie geenszins dichterbij gekomen, meent E. Hoeks. Bisschop Belo, de andere winnaar, had beter gezelschap verdiend.

Waar broederlijkheid de basis voor samenwerking had kunnen worden, zette de Nobelprijswinnaar de toon vanconfrontatie

De toekenning van de Nobelprijs 1996 voor de vrede aan de bisschop van het diocees van het deeleiland Oost Timor, Carlos Filipe Ximenes Belo en de Oosttimorese verzetsman c.q. voormalig 'bewindsman voor buitenlandse zaken' van Oost Timor, Jos'e Ramos Horta, lijkt de discussie over de Oosttimorese problematiek weer enigszins nieuw leven te hebben ingeblazen. Deze belangstelling richt zich niet zozeer op de politieke status van het deeleiland als wel op de vraag of en zo ja in hoeverre er sprake is van mensenrechtenschendingen op Oost Timor. De betrekkelijk algemene opvatting dat zulke schendingen inderdaad plaatsvinden heeft Jakarta een imago gegeven waar het een hoge prijs voor betaalt. Op velerlei fora wordt Jakarta in de verdediging gemanoeuvreerd. De vele inspanningen van de Indonesische diplomatie deze ongunstige reputatie op te poetsen, stranden op de in brede kring levende opvatting dat Jakarta zich het deeleiland ten onrechte heeft eigen gemaakt en derhalve weinig goeds kan verrichten. Tegen deze achtergrond is de kwalificatie van Jos'e Ramos Horta als vredesapostel opmerkelijk. De motivering van het Noorse comité lijkt daarenboven onvoldoende hout te snijden.

Het Oosttimorees verzet in Indonesië en de Oosttimorese diaspora in Portugal, Australië, de Verenigde Staten en elders in de wereld zijn onderling steeds verdeeld geweest over de te volgen strategie ten opzichte van Jakarta. Sommige groeperingen concentreren zich op het tot stand brengen van een deconfiture voor Indonesië in VN-verband, anderen cultiveren contacten met jongeren in Dili teneinde anti-Indonesische sentimenten ter plaatse aan te wakkeren, weer anderen verrichten vooral lobby-werkzaamheden via NGO's en individuele mensenrechtenactivisten in derde landen. Fretilin-voorman Ramos Horta wordt dan ook geenszins door het Oosttimorees verzet (noch op Oost Timor zelf, noch in de diaspora) als een gemeenschappelijke leider gezien. De Nobelprijswinnaar, geïnspireerd door het revolutionair socialisme van Frelimo en andere guerrillabewegingen in Afrika, is immers te zeer partij in de intertimorese strategiediscussie om bindend te kunnen werken.

Deze onderlinge richtingenstrijd maskeert bovendien een ordinair gevecht om het leiderschap binnen het Oosttimorees verzet, een rivaliteit die door de gevangenneming van charismatisch voorman Xanana Gusmao in intensiteit kon toenemen. Ramos Horta heeft sinds de arrestatie van de in Jakartaanse gevangenschap levende Fretilin-leider een dispuut met Xanana's echtgenote, de in Australië woonachtige Emili. Deze ruzie is vooral gestoeld op de omstandigheid dat Xanana's celstraf de persoonlijke ambitie van Ramos Horta dient. Daarenboven heeft laatstgenoemde bepaalde fondsen die na Xanana's arrestatie voor diens familie bestemd waren, ten eigen bate aangewend.

De pretentie van de CNRM (de raad van nationaal verzet van Maubere) te fungeren als overkoepelend lichaam van het verzet tegen de annexatie van Oost Timor door Indonesië, kan door haar leider Ramos Horta derhalve niet waargemaakt worden. In de politieke arena waarin strijd wordt geleverd over de jongste provincie van Indonesië, vertegenwoordigt deze voormalige zogenaamde 'minister van buitenlandse zaken' van Oost Timor zozeer de antipool van de Indonesische regering, dat hij zich geen ruimte voor toenadering kan permitteren.

Bij de twee gelegenheden waar Ramos Horta zijn leiderschapskwaliteiten door middel van een constructieve benadering aan de dag had kunnen leggen, heeft hij dan ook ernstig gefaald: de bijeenkomsten van de zogenaamde 'all inclusive east timorese dialogue', waar Oosttimorezen, woonachtig op Oost Timor en in het buitenland, gezamenlijk in 1995 en 1996 in Oostenrijk bijeenkwamen, hadden vooral een chaotisch verloop door de extreme standpunten die Horta daar tot gemeengoed wilde maken. Waar broederlijkheid de basis voor samenwerking had kunnen worden, werd door hem de toon van confrontatie gezet. Bij het voorportaal tot deze Oostenrijkse besprekingen (de zogenaamde 'London talks') was Ramos Horta zelfs niet eens aanwezig.

Voor de motivering van het Noorse comité dat Ramos Horta door middel van deze 'verzoeningsbesprekingen' een 'substantiële bijdrage' heeft geleverd lijkt dan ook onvoldoende grondslag aanwezig. Dat zijn bijdragen daarenboven een 'zelfopoffering' zouden zijn geweest, tart de werkelijkheid te zeer om onweersproken te blijven: de financiële steun die de CNRM via verschillende kanalen geniet, bestrijdt immers tevens de hoge kosten van levensonderhoud van Ramos Horta persoonlijk. Verzoeningspogingen waar zijn persoonlijke politieke aspiraties niet rechtstreeks door werden bediend, werden door Ramos Horta juist steeds gesaboteerd. Voor verzoening als zodanig heeft hij zich zelfs nooit uitgesproken. De burgeroorlog die in 1975 op Oost Timor woedde werd gekenmerkt door gewelddadigheid en onderdrukking en het Fretilin heeft sinds die tijd de confrontatie met de Indonesische regering als leidend beginsel gehanteerd.

Bisschop Belo stelt vele pogingen in het werk deze toonzetting van confrontatie nu juist te vermijden en is daarom, hoewel in de ogen van de Indonesische regering een 'lastpak', beter geaccepteerd in Jakarta. Niettemin is bij een ieder bekend dat zijn hart ligt bij het streven van vele Oosttimorezen naar onafhankelijkheid dan wel één of andere vorm van autonomie voor Oost Timor. Woonachtig in Dili en vele reizen makend door het deeleiland staat hij als geen ander in dagelijks contact met de bevolking en weet hij wat er onder hen leeft.

Het feit dat zijn diocees rechtstreeks onder Rome ressorteert geeft hem daarenboven een zekere mate van onafhankelijkheid ten opzichte van Jakarta, een omstandigheid waar hij dapper gebruik van maakt door de politieke leiding in de Indonesische hoofdstad regelmatig op oprechte wijze een spiegel voor te houden. Zijn kennis van de regio en haar bevolking, zijn onbaatzuchtigheid en compromisbereidheid alsmede zijn zoekende en constructieve opstelling maken hem tot een persoon van geheel andere categorie dan zijn laureaatscompagnon. Waar Ramos Horta reeds meer dan twintig jaar dezelfde grammofoonplaat speelt, zoekt de bisschop stapsgewijs naar nieuwe akkoorden. Monseigneur Belo verdient derhalve beter gezelschap dan hem nu door het Noorse comité van de Nobelprijs is toegedacht.

Indien, zoals de voorzitter van het comité heeft aangegeven, de doelstelling van deze keuze is geweest het politiek signaal aan de wereld te geven dat het Oosttimorese conflict de aandacht verdient, dan lijkt de vraag gerechtvaardigd of de controversiële Ramos Horta daartoe als het meest inspirerende voorbeeld kan dienen. Indien bovendien het comité hoopt dat de toekenning van de prijs zal bijdragen aan het vinden van een diplomatieke oplossing voor het conflict kan men zich afvragen of door de keuze van Ramos Horta niet juist het tegendeel van beoogde effect wordt gesorteerd. Waar immers zo'n belangrijke partij in het conflict zich te kijk gezet voelt door het comité (de geschokte reactie van de Indonesische regering was uiteraard voorspelbaar) loopt deze prijstoekenning het gevaar juist destabiliserend te werken op het vredesproces in Oost Timor. De politieke avonturier Ramos Horta voelt zich immers gesterkt en zal trachten deze Nobelprijs politiek maximaal uit te buiten, terwijl deze pogingen door Jakarta als 'non-starter' gezien zullen worden. De partijen worden aldus nog scherper tegenover elkaar geplaatst.

Had men van een zo invloedrijk comité niet een meer evenwichtige belangenafweging mogen verwachten? De Nobelprijs voor de vrede is in het verleden wel uitgereikt aan personen die betrokken waren bij het beëindigen van een conflict (Kissinger en Le Duc Tho; De Klerk en Mandela). De Oosttimorese kwestie is zover nog niet en lijkt daarom helaas nog niet rijp voor een prijs voor beide tegenover elkaar staande partijen (bijvoorbeeld minister Alatas en verzetsstrijder Xanana Gusmao). De thans gekozen oplossing doet echter onvoldoende recht aan de vele inspanningen van de Indonesische diplomatie een vreedzame oplossing voor Oost Timor te vinden.