Sorgdrager wil strafblad langer laten meetellen

AMSTERDAM, 19 okt. Een strafblad moet twintig jaar in plaats van acht jaar gaan meetellen bij de beoordeling van aanvragen voor een verklaring omtrent het gedrag. Dit staat in een nieuwe wet op de justitiële documentatie die minister Sorgdrager (Justitie) bij de Tweede Kamer heeft ingediend.

De minister vindt wel dat de burgemeester die over de gedragsverklaringen gaat het maatschappelijk risico scherp moet afwegen om veroordeelde delinquenten nog enige kans te geven. De termijn van twintig jaar gaat in na afloop van de straf en kan bij ernstige delicten worden verlengd.

De vraag naar informatie over justitiële antecedenten voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden is de laatste tijd sterk toegenomen, constateren prof. J.E.J. Prins en R.W. van Kralingen van de Katholieke Universiteit Brabant in hun recente studie Waar een wil is, is een weg? die is gebaseerd op een half dozijn casestudies. De onderzoekers noemen fraudebestrijding, (integraal) veiligheidsbeleid, hulpverlening, openbare aanbestedingen en beleidsvorming.

De maatschappelijke waarde van de verklaring omtrent het gedrag is volgens het onderzoek sterk gedevalueerd door de coulante houding van de burgemeesters. Deze valt vooral toe te schrijven aan de resocialisatiegedachte: als een straf eenmaal is uitgediend, moet men verder kunnen gaan met leven. Bovendien wordt een afwijzing vaak in beroep ongedaan gemaakt. Uit een peiling onder 531 gemeenten bleek dat op circa 95.000 verzoeken om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag slechts in minder dan 0,5 procent van de gevallen afgifte werd geweigerd. In 1971 werden slechts 53 van de 38.467 aanvragen geweigerd.

Bedrijven zijn volgens de onderzoekers steeds minder waarde gaan hechten aan de gedragsverklaring. Zij proberen de antecedenten van werknemers en sollicitanten, maar ook van andere relaties, te achterhalen door eigen onderzoek of door het inschakelen van recherchebureaus.

Pag.3: Meer vraag om informatie

Ook de druk op politie en openbaar ministerie om rechtstreeks informatie te verschaffen uit hun registers neemt sterk toe. Het ondervangen van deze behoefte is een belangrijk motief voor Sorgdrager om de burgemeester meer armslag te geven bij de gedragsverklaringen. Voortaan mag hij behalve op onherroepelijk geworden vonnissen ook letten op strafzaken die niet tot een veroordeling hebben geleid en zelfs op de zogeheten zachte informatie uit politieregisters. Gevaar dat iemand op onvoldoende gronden maatschappelijk wordt uitgesloten is er volgens de minister niet, want tegen afwijzing staat altijd beroep bij de bestuursrechtbank open.

Tegenover deze verruiming staat dat de burgemeester het maatschappelijk risico in het concrete geval scherp zal moeten gaan wegen. In de toelichting op het wetsvoorstel geeft Sorgdrager het voorbeeld van een veroordeling wegens rijden onder invloed. Deze zal al gauw fataal zijn voor een taxichauffeur, tenzij bijvoorbeeld blijkt dat het iemand betreft die jarenlang een onberispelijk chauffeur was die tijdens een persoonlijke crisis tot het delict kwam. Hetzelfde delict zal in het geval van een boekhouder een veel lichtere wegingsfactor hebben.

De nieuwe schoningstermijn maakt onderdeel uit van de modernisering van de justitiële documentatie, die naar schatting 4 miljoen kaarten omvat. Daar zitten ook criminele rechtspersonen bij. Dit bestand wordt geautomatiseerd en ondergebracht bij een centrale dienst in Almelo. Tot dusver bestond naast de algemene documentatie - opgezet als het interne geheugen van Justitie - een apart strafregister met de strafbladen voor extern gebruik. Een strafblad wordt na acht jaar verwijderd (lichtere zaken: 4 jaar) als er tenminste niet inmiddels een nieuw strafblad is opgenomen. Deze beperking geldt thans ook nog tegenover de burgemeester als deze informatie vraagt met het oog op een verklaring omtrent het gedrag.

Het strafregister komt in de nieuwe wet te vervallen. In het belang van de privacybescherming wordt een algemene termijn van twintig jaar ingevoerd voor Justitie zelf (met verlengingsmogelijkheden). Tot dusver bewaarde zij de antecedenten tot de dood van de betrokkene. De termijnen van het oude strafblad blijven wel gelden voor een aantal externe gegevensverstrekkingen aan overheidinstanties zoals de kinderbescherming of De Nederlandsche Bank. Maar de burgemeester wordt daarvan uitgezonderd gezien zijn eigen wettelijke taak met betrekking tot de gedragsverklaring.

De Wet JD stamt van 1955 en is sindsdien niet ingrijpend gewijzigd. Wel is in de jaren tachtig een eind gemaakt aan een ontsnappingsmogelijkheid die de overheid gebruikte bij ambtelijke sollicitaties inclusief het hele onderwijs. Daarbij werd een dubbele termijn - dus zestien jaar - aangehouden en bovendien ook direct geput uit de justitieregisters. Deze regeling kwam met name onder vuur te liggen na de strafvonnissen tegen bezetters van het Amsterdamse universiteitscentrum het Maagdenhuis in de jaren zestig. Deze hadden tot gevolg dat een enkele studentenactie menig veelbelovende toekomst in de kiem kon smoren.

De dubbele termijnen voor overheidssollicitaties zijn door de toenmalige minister Van Agt (Justitie) afgeschaft. Minister Sorgdrager zet nu de klok weer een heel eind terug. Ook bij het aangaan van een verzekering wordt nu in beginsel niet langer dan tien jaar teruggevraagd naar criminele antecedenten.

Uit criminologische hoek is door de jaren heen bezwaar gemaakt tegen het belang dat wordt gehecht aan de antecedenten. “Een veroordeling heeft in veel gevallen slechts een relatieve betekenis voor de beoordeling van iemands persoonlijkheid”, waarschuwde de bekende strafrechtsgeleerde J.M.van Bemmelen bij de totstandkoming van de huidige wet.