Rust aan het politieke front van bijzonder en openbaar onderwijs; LANG LEVE DE VERZUILING

De confessionele partijen stemden deze week tegen de herziening van de beruchte over- schrijdingsregeling in het onderwijs. Nieuwe schoolstrijd? Nee hoor, SGP en VVD zijn het over veel klassieke strijdvragen eens.

IN DE TWEEDE KAMER schudden liberaal en streng-gereformeerd elkaar de hand over de verzuiling van het onderwijs. Decennialang vormden deze politieke stromingen de uitersten van het onderwijsspectrum - als het om verzuiling gaat. En nog is de vrede niet vanzelfsprekend. Tot verbijstering van de SGP en de andere christelijke partijen sprak VVD-minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) eerder dit jaar openlijk zijn twijfel uit over het nut van de grondwettelijke vastlegging van de vrijheid van onderwijs. Paars, het eerste kabinet zonder confessionelen sinds de onderwijspacificatie van 1917, liet zijn ware gezicht zien! Maar dat brandje werd snel geblust. Dijkstal had het allemaal niet zo bedoeld, en vooral de onhandige tegenaanvallen van CDA-leider Heerma trokken daarna de aandacht.

En wat Dijkstal ook bedoeld moge hebben, zijn partijgenoot en Kamerlid Clemens Cornielje is het grondwetsartikel 23 over de onderwijsvrijheid letterlijk en figuurlijk aan het hart gebakken. Genoteerd op een klein kaartje dat hij gevraagd en ongevraagd tevoorschijn tovert draagt hij de tekst in zijn binnenzak. In lid 7 van dat artikel staat te lezen: 'Het bijzonder (...) onderwijs dat aan bij de wet te stellen voorwaarden voldoet, wordt naar dezelfde maatstaf als het openbaar onderwijs uit de openbare kas bekostigd'.

Is de vrijheid van onderwijs bij het paarse kabinet in goede handen? Cornielje, zonder aarzeling: “Ja, natuurlijk. Het bijzonder onderwijs is ook van ons. Het is niet het alleenrecht van de christelijke partijen. Ik spreek voor de VVD. Onze achterban is de beste afspiegeling van de samenleving, qua levensovertuiging. Wij maken de keuze voor een openbare of voor een bijzondere school voor onszelf, en niet voor anderen.” Het VVD-Kamerlid weet zich hierin gesteund door zijn fractievoorzitter. “Bolkestein heeft iets met onderwijs, zijn grootvader was minister van onderwijs. En Bolkestein heeft duidelijk gezegd: 'Wij willen de schoolstrijd niet overdoen'.”

Afgelopen weken sprak de Kamer over een nieuwe regeling van de financiële gelijkstelling van openbare en bijzondere scholen. Zeker na de ophef rond Dijkstal zou dit kernpunt van de onderwijspacificatie van 1917 toch nog altijd goed moeten zijn voor enig politiek vuurwerk, zou men denken. Maar het tegendeel is het geval. Kalm en rustig werd vergaderd over het wetsvoorstel om de financiële gelijkstelling tussen openbare en bijzondere scholen nader te verfijnen. Die gelijkstelling heeft vorm gekregen in de zogenoemde overschrijdingsregeling. Als een openbare school van de gemeente extra geld krijgt, maken de bijzondere scholen aanspraak op hetzelfde bedrag. Volgens de nieuwe wet mag de gemeente zich echter beroepen op bijzondere omstandigheden. Gemeentelijk geld voor een extra alarminstallatie voor een openbare school die in een inbraakgevoelige buurt staat hoeft bijvoorbeeld nu niet meer ook te worden uitgekeerd aan bijzondere scholen in heel andere omstandigheden.

Helaas voor Cornielje was in het Kamerdebat hierover zijn verknochtheid aan artikel 23 voor het CDA en de kleine christelijke partijen onvoldoende reden om met het wetsvoorstel in te stemmen. SGP-Kamerlid Bas van der Vlies: “Wij kijken er genuanceerd tegenaan. Artikel 23 is gelukkig niet op de schop genomen, noch onherstelbaar verminkt. Maar wij zien wel reële risico's.”

Het hoofdbezwaar vormt de mogelijkheid voor de bijzondere scholen om in beroep te gaan tegen beslissingen van de gemeente. Die rechtsbescherming is volgens Van der Vlies nu onvoldoende verankerd in de wet. Van der Vlies: “Een gemeentebestuur zal altijd zeggen dat de scholen gelijk worden behandeld. Maar als een school het daarmee niet eens is, resteert straks alleen een beroep op de bestuursrechter. Dan wordt alleen de gevolgde procedure getoetst, niet de inhoudelijke kant. En wat kan een schoolbestuur dan nog?” Ook het feit dat de Onderwijsraad in dit geval buiten beeld blijft, is voor hem aanleiding geweest om af te haken.

Cornielje heeft de bezwaren van Van der Vlies en de zijnen op dit punt niet kunnen wegnemen, “terwijl de onderwijskoepels er geen probleem mee hadden”, aldus het VVD-Kamerlid. Er was hem daarom veel aan gelegen om samen met het CDA en de kleine christelijke partijen het draagvlak te verbreden voor een zaak die sinds de beslechting van de Schoolstrijd in 1917 de gemoederen hevig kan beroeren. Cornielje: “Ik heb geprobeerd een brug te slaan naar het CDA en de kleine christelijke partijen. Het gaat er mij om, dat niet alleen in de Kamer maar ook in de samenleving een breed draagvlak bestaat voor de wetten die wij hier in de Kamer aannemen.”

Geen strijd meer. Wat is er aan de hand met de vrijheid van onderwijs? Niets, aldus Cornielje. Die vrijheid staat voor hem buiten kijf, ook al is voor de leek het verschil tussen openbare en bijzondere school soms nauwelijks duidelijk. De staat zorgt voor openbaar onderwijs, maar ouders mogen zelf de school van hun kinderen uitkiezen, zegt Cornielje. “De grondslag van een school kan katholiek zijn, of protestant, maar de toetsing daarvan is voorbehouden aan de ouders en niet aan de overheid. Het is de keuze van de ouders. Een bijzondere school mag leerlingen weigeren. Daarbij vind je rekkelijken en preciezen. Ik heb daar als lid van de Tweede Kamer geen oordeel over.”

Het gesprek met zijn collega Bas van der Vlies (SGP) over het primaat van de ouders bij de keuze van de school voor hun kinderen, loopt bijna vast op hun beider eensgezindheid. Van der Vlies: “De ouders zijn verantwoordelijk voor de opvoeding en opleiding van hun kinderen.” Dat gebeurt soms heel direct, als ouders in het schoolbestuur zitten, maar zij kunnen die bevoegheid wat hem betreft ook delegeren aan een bestuurder die hun vertrouwen geniet. “De vertrouwensbasis is er. Wat die besturen doen wordt gedragen door de ouders.”

De reden van de vredigheid is vermoedelijk gelegen in pragmatiek. Voor Cornielje heeft de discussie over artikel 23 natuurlijk te maken met beginselen - “zonder enige reserve” - maar vooral ook met de oplossing van concrete, praktische problemen. “Met die wetten moeten de lagere overheden én de scholen instrumenten in handen krijgen voor een lokaal onderwijsbeleid. Zij kunnen daarmee de achterstanden in het onderwijs aanpakken, de huisvesting van de scholen doelmatiger regelen en de taalachterstand van allochtonen proberen te verhelpen.”

Cornielje kiest bewust voor de term 'lokaal onderwijsbeleid' en niet voor gemeentelijk onderwijsbeleid. “Daarmee wil ik aangeven dat het een zaak is van de gemeente en de scholen samen.” De overdracht van macht over het onderwijsbeleid naar de gemeenten is een gevoelige zaak. Bijzondere scholen voelen zich bedreigd door een al te dominante rol van het gemeentebestuur, dat ook bevoegd gezag is van de plaatselijke openbare scholen. Voorzichtigheid voorkomt strijd.

AFSTANDEN

De beide Kamerleden zijn het er over eens dat de betrokkenheid van de ouders kan verschillen. Cornielje: “Uit onderzoek blijkt dat de keuze van de ouders voor een bepaalde school wordt bepaald door de nabijheid van de school, de veilige bereikbaarheid en de denominatie. In die volgorde. Dat geldt overigens niet voor alle ouders. Er zijn mensen die de grote afstanden naar de 'eigen' school voor lief nemen.” Maar dat de geloofsrichting voor veel ouders niet op de eerste plaats komt, doet voor Cornielje eigenlijk niet ter zake. Als de ouders een school kiezen op grond van de kwaliteit van het onderwijs of om het pedagogisch klimaat, staat hen dat eenvoudig vrij. Voor de staatkundig gereformeerde Van der Vlies komt de richting van de school natuurlijk zonder enige aarzeling op de eerste plaats. “Het heeft een meerwaarde, dat specfieke, dat eigene.”

Een nationale school, waarbij de onderwijsorganisaties terzijde worden geschoven om ruim baan te maken voor de ouders, vervult Van der Vlies spontaan met afgrijzen. De Groningse wethouder van onderwijs H.J. Pijlman (D66) heeft hiervoor deze week een lans gebroken. Van der Vlies: “De nationale school gaat in tegen het unieke karakter van ons bestel. Het zou een hele slechte ontwikkeling zijn, wij zijn mordicus tegen. In de vorige eeuw hebben we al te lang gedaan over die Schoolstrijd. Daar zou je heel dwingende redenen voor moeten hebben om die nog eens over te doen.”

Ook Cornielje ziet er niets in, met één aantekening: “Er is wel aanleiding tot versterking van de positie van de ouders en hun medezeggenschap.” Hij constateert dat die ontwikkeling zich nu ook voordoet bij de openbare scholen die verzelfstandigd worden. Op die scholen maken de ouders voor ten minste een derde en voor niet meer dan de helft deel uit van het schoolbestuur.”

Naar de mening van Van der Vlies is het onderwijs in Nederland “doorgaans goed”, om daar meteen aan toe te voegen: “In het bijzonder onderwijs maakt men er geen potje van.” Hij erkent dat de vrijheid van onderwijs alle richtingen betreft. “Natuurlijk vinden wij dat het christelijk onderwijs het best is voor onze kinderen, voor alle kinderen. Maar we leven in een pluriforme samenleving. De SGP kan er niet op betrapt zijn dat wij zeggen: 'Laten wij het openbaar onderwijs eens gaan droogleggen'.”