Paleislekken (2)

In het artikel 'CDA verhevigt het politieke gekrakeel over koningin Beatrix', miste ik de neutraliteit, die ik van uw krant verwacht.

Ik vroeg mij af wat drs. M. de Bruyne (beleidsmedewerker van de SGP-fractie in de Tweede Kamer) tot het schrijven van het artikel bewogen had. Het lijkt mij namelijk niet voor de hand liggend dat twee 'christelijke' partijen - en nota bene allebei in de oppositie - de behoefte hebben elkaar aan of zelfs maar af te vallen. Minstens zozeer als ik in eerste instantie neutraliteit miste, miste ik echter ook elk oppositioneel geluid... “Minister Van Mierlo babbelde vrolijk zijn mond voorbij”... en verderop “Koks correcte repliek”.

Niet bekend

De aangehaalde paleislekkages dateren overigens allemaal uit de jaren '80, '85. Dat een politicus wat feiten uit het verleden kent lijkt me erg nuttig, maar aanhaling hiervan in het kader van de actuele politiek heeft voor mij de lucht van oude koeien: wie toen regeerde was toen verantwoordelijk en behoorde toen op die verantwoordelijkheid te worden aangesproken en nu geldt dat voor 'paars'. Als zodanig verwerp ik ook de interpretatie dat Van der Burg cum suis de koningin een slechte dienst bewijzen. Als het kabinet zichzelf paars noemt mag Van der Burg dat volgens mij ook: het is het huidige kabinet en daar gaat het om.

De woorden van wijlen professor Donner werden in het artikel terecht geciteerd; waar De Bruyne echter stelt dat het staatshoofd middenin de politieke strijd wordt gezet zegt hij niet deze interpretatie van De Graaf van D66 te hebben overgenomen, maar de schijn heeft hij in elk geval tegen.

Als het CDA bij hernieuwde aanleiding hoog van de toren blaast na zich eerder content te hebben getoond met een repliek, lijkt me dat eerder logisch dan “des te valser”!

Naar de beweegredenen tot het schrijven over het volgens De Bruyne verhevigde gekrakeel kan ik slechts gissen. Bij mij wordt de indruk gewekt dat hij opmerkingen over het bewaren of schenden van 'het geheim van het paleis' alleen aan de SGP-fractie voorbehouden zou willen zien. Zo dat de beweegreden niet is tast ik hieromtrent volledig in het duister: bij pure zorg om dat geheim was er nooit zo gericht één kant op gemept.

In de laatste zin wordt de melodie van het Wilhelmus genoemd. Ik hoop dat bij elke gelegenheid dat die ten gehore wordt gebracht de toon me zuiverder in de oren klinkt dan de toon over het gekrakeel, want zoals de Fransen zeggen: 'C'est le ton qui fait la musique'.