Paleislekken (1)

Dat het verschijnsel 'paleislekken' veel ouder is dan het huidige paarse kabinet, kan men volledig eens zijn met de SGP-beleidsmedewerker drs. M. de Bruyne (NRC HANDELSBLAD, 10 oktober). De voorbeelden daarvan die hij vervolgens geeft roepen bij mij echter enkele vragen op.

Het betreft uitlatingen van de oud-ministers H. Vredeling en J. Boersma over het optreden van koningin Juliana tijdens hun ministerschap. Beide voorbeelden stammen uit 1985. Vredeling en Boersma waren toen al acht jaar lang geen minister meer en Juliana was al vijf jaar lang geen koningin meer. Moet men hieruit afleiden dat volgens De Bruyne 'het geheim van het paleis' ook voor oud-ministers en ten aanzien van afgetreden koninginnen heilig moet zijn?

Staatsrechtelijk lijkt deze uitrekking van de koninklijke onschendbaarheid annex ministeriële verantwoordelijkheid me zeer aanvechtbaar. Erger nog vind ik dat op die manier waarheidsgetrouwe geschiedschrijving onder de Nederlandse politiek zeer moeilijk wordt. Hoe kan er ooit in de toekomst een objectieve biografie van koningin Beatrix geschreven worden, als haar belangrijkste politieke medewerkers - haar ministers en staatssecretarissen - als getuigen blijvend monddood zijn?

Ik moge erop wijzen dat onze geschiedschrijver dr. L. de Jong blijkbaar (en gelukkig maar) van een ander standpunt is uitgegaan dan De Bruyne: in zijn grote werk over het koninkrijk in de Tweede Wereldoorlog komt de rol van de koninginnen Wilhelmina en Juliana zowel voor en tijdens als na de Oorlog herhaaldelijk uitvoerig ter sprake, mede op grond van wat oud-ministers daarover verteld hebben (als voorbeeld noem ik hier slechts - uit deel 12 - de rol van Wilhelmina en Juliana bij het gratiebeleid ten aanzien van veroordeelde oorlogsmisdadigers).