Marco en Roy moeten soortgenoten het leven redden

NEELTJE JANS, 19 OKT. Marco, een driejarige mannelijke bruinvis (Phocoena phocoena) van 1.28 meter lang, keert braaf terug naar de blauwe boei. Hij heeft zijn plicht weer gedaan, dat wil zeggen dat hij een roestvrijstalen bal, die twintig meter verderop aan een koord in het water hangt, met zijn sonar-systeem wist op te sporen. Een verse haring is zijn beloning voordat hij met belgerinkel wordt opgeroepen voor de volgende proef. Ditmaal steekt hij zijn kop in een witte hoepel ten teken dat de metalen bal hem is ontgaan. “Hij is wat wispelturig vandaag”, meldt Nicole Schooneman. “Een echte puber.”

Het tafereel - de vrucht van langdurige training - speelt zich af in een drijvend bassin bij het voormalige werkeiland Neeltje Jans halverwege de stormvloedkering in de Oosterschelde. Medewerkers van het Dolfinarium te Harderwijk en andere instituten bestuderen hier sinds anderhalf jaar hoe twee bruinvissen, Marco en Roy, hun biologische sonar gebruiken. De even speelse als intelligente zoogdieren, behorend tot de kleinste dolfijnensoort ter wereld, verzenden vanuit hun voorhoofd geluiden die onder water door uiteenlopende voorwerpen of barrières worden weerkaatst, waarna ze de echo's met hun oren opvangen. Net zoals vleermuizen boven water doen.

Het onderzoek, mede gefinancierd door de rijksoverheid, is opgezet uit een oogpunt van natuurbescherming. De bedoeling is paal en perk te stellen aan de (onopzettelijke) bijvangst van dolfijnen door de zee- en kustvisserij. “Dit zoogdier”, vertelt projectleider R. Kastelein, research-bioloog bij het Dolfinarium, “moet gemiddeld twee keer per minuut naar boven om adem te halen. Raakt hij met zijn vinnen in een visnet, dan gaat hij onherroepelijk dood door verdrinking.”

Volgens Kastelein sterven op die manier over de hele wereld jaarlijks ongeveer een miljoen dolfijnachtigen. In de Noordzee heeft speciaal de bruinvis, toch al een schaarse en bedreigde soort, onder de visserij te lijden. Maar ook de witsnuitdolfijn en in mindere mate de gewone dolfijn lopen gevaar bij alles wat ze al te verduren hebben aan vervuiling en verstoring van hun leefgebied.

“Het zijn vooral de Denen die met hun staande kieuwnetten slachtoffers maken”, zegt de onderzoeker. “Die netten worden als een gordijn tot op de bodem in zee gehangen, opdat vissen met hun kieuwen in de mazen blijven steken. Maar er blijken ook bruinvissen verstrikt te raken en niet zo weinig. Alleen al in 1994 haalden de Denen tussen de zes- en zevenduizend dode bruinvissen op.” Nederlandese vissers zouden de dolfijnenstand aanzienlijk minder schade toebrengen, omdat ze met sleepnetten achter hun trawlers de zeebodem afschrapen. “De dieren worden door de herrie die dat maakt afgeschikt.”

De proeven op de Neeltje Jans hebben tot nu toe aangetoond dat jonge bruinvissen dank zij hun ingebouwde sonar een in het water hangende stalen bal van 7,6 centimeter doorsnee tot twintig meter afstand kunnen waarnemen. “Maar die bal heeft wel een hoge echosterkte, veel hoger dan het kunststof materiaal waar netten van zijn gemaakt”, aldus Kastelein. “Dus moeten we nog gaan uitzoeken hoe ver de afstand tot verschillende soorten visnetten bedraagt. Stel dat de bruinvis zo'n kieuwnet pas op twee à drie meter ontdekt, dan kan hij het praktisch niet meer ontwijken en is hij ten dode opgeschreven.”

Als dit de definitieve uitkomst van het onderzoek zou zijn, acht Kastelein maatregelen nodig om de echosterkte van het gangbare viswant te verhogen. “Bijvoorbeeld door er met lucht gevulde kralen in te hangen.” Worden de netten, zoals nu gebruikt, op bijvoorbeeld zeven meter afstand ontdekt, dan kan de bruinvis, gezien zijn snelheid van circa twintig kilometer per uur, nog tijdig rechtsomkeert maken.

Maar de vraag is of hij dat wil. Kastelein: “In die netten zit vis en daar leeft hij nu eenmaal van. Bovendien zijn dolfijnen behalve intelligente ook nieuwsgierige dieren, die misschien aan het want gaan snuffelen met alle gevaren vandien. Daarom beweegt ons onderzoek zich over twee sporen. We bestuderen de sonar bij dolfijnen, maar testen ook de toepassing van apparaatjes, zogenaamde pingers, die geluid voortbrengen en in visnetten kunnen worden gehangen om dolfijnen af te schrikken.”

Maar ook daar zitten risico's aan vast. Kastelein: “Het gaat er natuurlijk om met zo min mogelijk geluid een maximaal effect te bereiken. Anders zou het daar onder water in de toekomst een hels kabaal worden en dat is zeker niet de bedoeling. Je weet immers niet hoe andere organismen daarop reageren.”

De twee proefdieren mogen inmiddels vrij in het Oosterscheldebassin rondzwemmen, nadat ze niet alleen hun sonar-kunsten hebben vertoond, maar ook (op de kant) zijn gewogen en opgemeten. Marco, die in 1993 op het Duitse waddeneiland Sylt aanspoelde, en Roy, die in 1994 op Terschelling aan land kwam, voldoende beide aan de verwachtingen: ze zijn zowel in lengte als gewicht gegroeid. Maar terwijl Roy de handelingen, inclusief temperatuurmeting, rustig ondergaat, probeert Marco zich van de weegschaal te wringen. Een ongedurig knaapje? Kastelein: “Ach, dit stelt nog niets voor. We hebben er een gehad die we met vijf man in bedwang moesten houden.”