MAASAFZETTINGEN REPRESENTEREN CURVE VAN MILANKOVITCH

Niet alle terrassen langs de Maas zijn Maasterrassen. Zo luidde de laatste stelling bij het proefschrift dat M.W. van den Berg op 9 oktober verdedigde aan de Landbouwuniversiteit Wageningen.

Dat proefschrift behandelt de rivierafzettingen van de Maas in Limburg, waar ze momenteel deels onder jongere sedimenten zijn begraven, maar zich voor een ander deel juist boven de huidige riviervlakte bevinden. Ze vormen daar relatief vlakke gebieden (terrassen, van de tweede categorie uit de boven aangehaalde stelling) in het heuvelland en verraden hun oorsprong door onder meer de aanwezigheid van zand en grind uit het achterland van de Maas.

Aan de hand van de karakteristieken van deze afzettingen gaat de onderzoeker na hoe deze in het verloop van de tijd zijn veranderd, en hoe die veranderingen samenhangen met de dynamiek van klimaat en tektoniek (de bewegingen van de aardkorst, zoals opheffingen, dalingen, plooiing en breukvorming). Zuidoost-Nederland heeft in de laatste tien miljoen jaar zowel opheffingen als dalingen gekend. Dit gebied is dan ook bij uitstek geschikt voor een analyse van de veranderingen van rivierdynamiek in de tijd. Het vaststellen van dergelijke veranderingen vergt dateringen. Die zijn bij rivierafzettingen vaak niet of nauwelijks mogelijk, maar de onderzoeker heeft door een nauwkeurige correlatie van diverse terrasrestanten, in combinatie met een beperkt aantal dateringen, toch een overtuigend beeld geschapen.

De dateringen zijn opgesteld aan de hand van de polleninhoud, die afhankelijk is van de klimaatsomstandigheden. Op basis van pollenzones, die elders (in Nederland en daarbuiten) zijn gedateerd, was voor Limburg reeds een redelijk nauwkeurige klimaatstratigrafie aanwezig. Deze gegevens koppelde de onderzoeker aan recente klimaatgegevens die beschikbaar zijn gekomen uit diepzee-onderzoek en uit de analyse van boorkernen uit ijskappen.

In de periode van circa negen- tot drie miljoen jaar geleden vindt de onderzoeker klimaatwisselingen terug in de vorm van ritmische sequenties, gevormd tijdens cycli die elk zo'n 200.000 jaar moeten hebben geduurd. Voor het IJstijdvak, dat werd gekenmerkt door afwisselingen van ijstijden en interglacialen, herkent hij cycli van omstreeks 100.000 jaar (wat ruwweg overeenkomt met de tijdsduur van een ijstijd plus interglaciaal). Ook binnen ijstijden treden afwisselend warmere en koudere periodes op. Deze kan de onderzoeker in de afzettingen uit de laatste ijstijd eveneens relateren aan cyclische afzettingen.

Het totale beeld van de afzettingen hangt volgens de onderzoeker dan ook in sterke mate samen met veranderingen in de klimaatkarakteristieken. In het begin van deze eeuw werkte Milankovitch een beroemd geworden curve uit die aangeeft hoe de hoeveelheid zonne-energie op een bepaalde breedtegraad op aarde varieert met de tijd, als gevolg van astronomische oorzaken (afstand aarde-zon, vorm van de aardbaan, precessiebeweging, helling van de aardas). De afzettingen van de Maas lijken volgens de onderzoeker cycli te vertonen die goeddeels met de cycli in deze curve samenvallen.