Koreaanse 'chaebols' veroveren de wereld

De Zuidkoreaanse chaebols, reusachtige conglomeraten van familiebedrijven, zijn bezig met een spectaculaire buitenlandse expansie. Alleen al dit jaar bezorgden Hyundai, Samsung en LG Groot-Brittannië welkome investeringen ter waarde van zo'n zeven miljard dollar. Samsung aast op Fokker, een aantrekkelijke prooi. Omgekeerd klinken in Seoul af en toe moppergeluiden over nationale uitverkoop en industriële uitholling. Erg overtuigend klinken ze niet in een land dat met een economische groei van bijna 7 procent per jaar.

Het was eind vorige week in Zuidkoreaanse ogen een waterscheiding: het Oostaziatische land zag zijn lang gekoesterde doel om toegang te krijgen tot de de Parijse rijke landenclub OESO eindelijk bereikt. Dat moment betekende voor de Zuidkoreanen een lang verwacht blijk van internationale erkenning voor wat hun natie van 44 miljoen zielen had gepresteerd sinds de rampzalige broederoorlog in de jaren vijftig. Nederlandse 'babyboomers' zullen zich uit die tijd nog ouderlijke aanmoedigingen aan de eettafel herinneren in de trant van: “Jongetje/meisje eet eens door, de arme kindjes in Korea snakken er naar”. Soms dreigend aangevuld met: “Die eten boomschorssoep.”

Toen Zuid-Korea in 1962 zijn eerste economische vijfjarenplan lanceerde, stond het inkomen per hoofd van de bevolking nog op een armzalige 87 dollar per jaar. Nu, 34 jaar later, is het in omvang 's werelds elfde economie en de twaalfde handelsnatie waar de inkomens, zeker in 'groter' Seoel, al Westeuropese niveaus hebben bereikt en die in de toekomst waarschijnlijk zullen overstijgen. Want Zuid-Korea als lage lonenland - je hoort het argument in de discussie over Samsung-Fokker weer opduiken - is echt voltooid verleden tijd.

Daar komt bij dat Korea's uiterst dynamische an agressieve ondernemers, om zo te zeggen, de oneindigheid als horizon hebben. Heeft de wereld langzamerhand niet meer dan genoeg auto's, kan de bedaagde en milieubewuste westerling zich afvragen? En raken de meeste markten niet redelijk verzadigd? Kom met dat soort makke constateringen niet aan bij de Zuidkoreaanse 'chaebols', de reusachtige familiebedrijfsconglomeraten met hun ruim geschakeerde produktenpaletten. 'Op z'n Japans' nauw samenwerkend met een machtige overheidsbureaucratie en met vrijwel onbeperkte steun van overheidsbanken wisten zij zich de afgelopen decennia ongelooflijk te ontwikkelen. Sneller zelfs dan hun Japanse voorbeelden, de keiretsu. De dertig grootste chaebols verzorgen nu 60 procent van het Koreaanse nationale produkt.

Met een roekeloos lijkende en soms beangstigende volharding 'bulldozeren' zij zich hun wegen op de vaak al volle wereldmarkten. Zo denken de autodivisies van Hyundai, Kia, Daewoo, SsangYong en Samsung tot het jaar 2000 36,4 miljard dollar in nieuwe autofabrieken te investeren, deels in Korea maar meer nog daarbuiten. In ieder geval genoeg om de huidige Koreaanse autoproduktie tegen 2000 te verdubelen tot 6,2 miljoen, en daarbinnen het exportsegment te verviervoudigen tot 3,2 miljoen stuks.

Natuurlijk hopen de Koreanen een behoorlijk deel daarvan te slijten in de Verenigde Staten en Europa. Maar de chaebols waken ervoor de rijke markten met hun 10 tot 15 procent goedkopere en kwalitatief steeds minder achterblijvende produkten te overstromen om beschuldigingen van dumping en daarop volgende handelsrestricties te ontlopen. Liever willen zij het westen gebruiken als een mondiale étalage voor hun grootste doel: de nog redelijk braakliggende markten in de zich snel ontwikkelende landen. En dat worden er in de liberale jaren negentig snel meer.

“Wij zullen onze auto's voornamelijk maken en verkopen op plaatsen met een snel groeiende vraag zoals India, China, Oost-Europa, Rusland en Centraal-Azië”, aldus topman Kim Woo-Choong van Daewoo. Samen met Latijns Amerika, Afrika en het Midden-Oosten ging vorig jaar al de helft van de Koreaanse exportauto's - zo'n 800.000 stuks - naar die opkomende gebieden. Tijdens de eeuwwisseling moeten dat er dus vier keer zoveel worden. Om dat te vergemakkelijken zetten de chaebols aan de lopende band produktievestigingen op in gebieden die de Japanners, laat staan de westerlingen, al snel links laten liggen, zoals Oezbekistan, Roemenië, Egypte, Botswana, Rusland of Vietnam.

Bondig samengevat komen de campagneplannen van de autodivisies van de chaebols hier op neer: - Hyundai wil tot 2000 9,8 miljard dollar investeren om de jaarproduktie op te voeren van 1,2 naar 2 miljoen stuks.

- KIA Motors geeft tot de eeuwwisseling 7 miljard dollar uit om dan 1,5 miljoen auto's voor de binnenlandse en 0,5 miljoen voor de buitenlandse markt te kunnen produceren.

-Daewoo spendeert over dezelfde periode 9,6 miljard dollar om de produktie tot 1,2 miljoen stuks op te voeren waarvan er 1 miljoen naar het buitenland gaan.

-Tot slot zijn er Samsung en SsangYong die zich vanaf 1998 voor het eerst ook op de produktie van personenauto's werpen, begin volgende eeuw ieder 0,5 miljoen auto's willen produceren en daartoe elk 5 miljard dollar investeren.

Dit scenario roept herinneringen op aan Japans eerste auto-exportgolf van een kwart eeuw geleden. En de gevolgen voor voor de gevestigde fabrikanten kunnen binnenkort even ingrijpend zijn als toen. Net als de Japanners destijds kampen de Koreanen nu nog geregeld met kwaliteitsproblemen. Maar een gezaghebbende autoconsulent als J.D.Powers & Ass. stelt vast dat ook de Koreanen snel leren en verbeteren. De Amerikaanse autogoeroe Maryann Keller van adviesbureau Furman Selz commentarieerde in Fortune: “Als de Koreanen volgens de regels van de Harvard Business School hadden gespeeld, waren ze nu nog rijstboeren geweest. Zij zetten hoe dan ook een auto-industrie op en zij vinden hoe dan ook markten.”

Blinde of zelfs wereldvreemde ambitie? Dat werd in de jaren zeventig ook gezegd toen de Koreaanse chaebols zich uit alle macht op de produktie van schepen en staal wierpen. In de jaren tachtig behoorden ze op die terreinen tot de groten van de wereld. In diezelfde jaren tachtig werd er opnieuw wat lacherig gedaan toen de chaebols zich zeiden te concentreren op geheugenchips. Vorig jaar was Samsung op dat terrein wereldmarktleider en hield het bedrijf aan een chipsomzet van 16 miljard een fenomenale netto winst 3,6 miljard over.

Het is waar: dit jaar kelderden de geheugenchipsprijzen met een even formidabele 80 procent. Gaan de Koreaanse Icarussen dan toch eindelijk hun vleugels aan de zon branden? Senior-manager Tae-ho Kim van Samsungs afdeling strategische planning toont zich op de 25-ste verdieping van het Samsunghoofdkwartier in Seoul verbaasd over de suggestie. “Een tijdelijke terugslag”, legt hij, geflankeerd door drie pr-funktionarissen, uit. “De winst van vorig jaar was natuurlijk exceptioneel en je ziet nu al weer prijsherstel. En met de oprukkende informatie-economie kan 't niet anders of vraag en prijs van chips gaan weer omhoog. Ook verschuiven wij onze produktie naar meer complexe halfgeleiders die minder conjunctuurgevoelig zijn.”

Volgens dertiger Kim heeft 'de zogenaamde chipscrisis' geen jota verandering gebracht in Samsungs investeringsprogramma's. Hij ontkent dan ook met klem een recent bericht in het Amerikaanse zakenblad Business Week als zou er met 17 procent zijn besnoeid op Samsungs totale investeringsplannen tot 2000 ter waarde van 67 miljard dollar. Het ligt nog steeds in de bedoeling dat de totale omzet van het conglomeraat stijgt van 87 miljard dollar in 1995 tot 200 miljard in 2000, meer dan het nationaal inkomen van Zweden. “Dan behoort Samsung tot de tien grootste bedrijven op aarde”, licht de manager op een vanzelfsprekend toontje toe.

Voor het geval de Zuidkoreaanse auto's de wereld nog niet afdoende hadden geattendeerd op 's lands 'Wirtschafswunder', zou de Zuidkoreaanse consumentenelectronica dat alsnog kunnen doen. Zo heeft de driemanschap Samsung, LG (voorheen Lucky Goldstar) en Daewoo het afgelopen decennium bijna elke uithoek op aarde geplaveid met relatief goedkope televisies, video's, stereo's, ijskasten of wasmachines van massakwaliteit. En nu volgen deze bedrijven zelf gaandeweg de sporen van die alom aanwezige produkten en vestigen zij zich in hoog tempo overzee. Van Mexico en Zuid-Afrika, tot de VS, Europa en Centraal-Azië investeren de Koreanen in een planeetomspannend netwerk van consumentenelectronicafabrieken, regionale kantoren en researchinstellingen.

Vooral in Groot-Brittannië, waar de lonen inmiddels al lager liggen dan in Zuid-Korea en waar door overheden stevig met investeringssubsidies en fiscale vakanties wordt gesmeten, was het dit jaar bingo. Eerst opende koningin Elizabeth in mei samen met Samsungs gedreven president-eigenaar Lee Kun-hee in het noordelijke Wynyard een fabriekscomplex voor microwave-ovens en computermonitoren ter waarde van 700 miljoen dollar.

Daarna onbranden er op een julidag spontane volksfeesten in Zuid-Wales toen de LG-groep aankondigde daar op een terrein van 100 hectare produktiefaciliteiten voor kleurentv's en chips neer te zetten. Het gaat om een investering van 2,6 miljard dollar en er komen 6000 arbeidsplaatsen bij.

Nog maar net was dit rumoer verstomd of Hyundai kwam melden dat het in het Schotse Dunfermline voor 3,7 miljard dollar twee chipsfabrieken wil plaatsen. “Hyundai heeft genoeg vertrouwen geput uit de recente stabilisering van de chipsprijzen”, vermoedt analist Han Il-Suk van ING Barings Securities in Seoul. “Nog een reden voor optimisme is dat Hyundai in Schotland nieuwe generaties 64- en 256 megabit D-ramchips gaat maken waar veel vraag naar wordt verwacht.”

De Koreanen bouwen in het buitenland allang niet meer alleen eenvoudige assemblagebedrijven maar ook complexe, verticaal geïntegreerde operaties. Een voorbeeld is Samsungs volledig geïntegeerde industriepark in de Mexicaanse grensstad Tijuana dat 200 miljoen dollar kostte en afgelopen maart zijn deuren opende. Het 66 hectare grote complex biedt niet alleen onderdak aan Samsung Electronics maar ook aan Samsung Display Services en Samsung Electro Mechanics. Er worden simultaan kleurentv's, tuners en video recorders gemaakt voor export naar het nabije Californië. Samsung wil de komende jaren nog eens 580 miljoen dollar in z'n Tijuana-complex investeren en verwacht dat er in 2000 9300 mensen zullen werken die een omzet van 3 miljard dollar zullen genereren. Daewoo constueert soortgelijke geïntegreerde complexen in Mexico, Polen en Vietnam.

Zijn consumentenelectronica met hun lage marges wel zoveel investeringen waard? “Absoluut”, oordeelt analist Tony Jung van Jardine Fleming Securities in Seoul. “In termen van omzet zijn Korea's consumentenelectronica-exporten groter dan die van auto's. Bovendien halen de Koreanen als goedkoopste producenten nog het meest uit die behoorlijk verzadigde markten.” Daar komen volgens Jung nog de uitgebreide synergie-effecten bij. “Als Samsung Electronics zou verdwijnen, zouden ontelbare geallieerde bedrijven, die onderdelen en diensten leveren, ook serieus worden geraakt.”

Een van de profiteurs van Korea's overzeese investeringsrage werd deze week Frankrijk waar Daewoo er in slaagde Thomson Multi Media van de staat over te nemen. De Koreanen nemen niet alleen de 3 miljard dollar belopende schuld van het bedrijf voor hun rekening. Zij garanderen ook handhaving van de huidige 5000 arbeidsplaatsen en beloven er via een investering van 877 miljoen dollar nog eens 5000 bij te scheppen. Met de overname van Thomson Multi Media wordt Daewoo veruit 's werelds grootste televisieproducent met een totale jaarcapaciteit van 17 miljoen stuks. Ook wat wasmachines betreft jaagt Daewoo op wereldleiderschap.

Had Daewoo de slag om Thomson niet gewonnen - Alcatel Alsthom gold als een kansrijke tegenbieder - dan hadden de Koreanen buiten Frankrijk tien geheel nieuwe electronicafabrieken opgezet. Dat Daewoo in eerste instantie toch mikte op Thomson heeft natuurlijk te maken met de geavanceerde know how van dat bedrijf. Om exact dezelfde reden aast Samsung nu op het failliete Fokker en - alweer - Daewoo op de verliesgevende Britse sportwagenfabrikant Lotus. Daarmee nemen de Koreanen blijkbaar op de koop toe dat dit oude bedrijven zijn met heel eigen culturen en managementstijlen die zich veel lastiger in de grote familie laten opnemen dan geheel nieuwe bedrijven waarvoor nieuw personeel kan worden geselecteerd.

Op heel wat plaatsen op aarde kan dezer dagen gejubeld worden over de komst van Zuidkoreaanse bedrijven en broodnodige werkgelegenheid. Toch wordt thuis in Seoul de mondiale 'Sturm und Drang' der chaebols met meer gemengde gevoelens gevolgd. “De recente investeringsgolf van onze bedrijven toont de noodzaak van strenge tegenmaatregelen om hier industriële uitholling te voorkomen”, meldde het Koreaanse zakenblad Maeil Business in een recent commentaar dat in een Nederlandse versie geschreven had kunnen zijn door een FNV-er in Ede of Terneuzen.

Natuurlijk is dat stevige taal van de Maeil Business in een land met een economisch groei van bijna 7 procent per jaar en een werkloosheid van 1,5 procent. Daar komt bij dat de regering in Seoul 'globalisering' zelf tot het slagwoord voor de jaren negentig heeft verheven. Niet alleen om minder winstgevende arbeidsintensieve nijverheid naar elders door te schuiven maar ook om dichtbij de overzeese markten te zitten en om eventuele aantijgingen over dumping en handelsbelemmeringen bij voorbaat te ontwijken.

“De wereld intrekken is onderdeel van onze overlevingsstrategie”, licht Tae-ho Kim van Samsungs strategische planningafdeling toe. “Net als andere agressieve bedrijven in de wereld gaan wij daar heen waar de beste groeikansen bestaan, waar we de kosten optimaal kunnen drukken en we dicht op de nieuwe markten zitten. We werken tegenwoordig dan ook met vijf regionale hoofdkantoren in New York, Londen, Singapore, Tokio en Peking.”

Maar volgens commentator Park Gam Mook van de Maeil Business is dat slechts de helft van het verhaal. Want net zoals Koreaanse bedrijven worden weggelokt door buitenlandse kansen, worden ze ook Korea uitgedreven door een aantal binnenlandse problemen. Allereerst is er het hoge en snel stijgende loonniveau. “Het idee van Korea als een lage lonenland is beslist achterhaald”, stelt een westerse diplomaat in Seoul. “We zitten hier in de hoofdstad al op een Westeuropees niveau. En omdat de lonen voorlopig met 5 à 10 procent per jaar blijven stijgen, wordt dit in snel tempo een hoge lonenland.”

Anders binnenlandse moeilijkheden zijn de hoge rentevoet (ongeveer 15 procent), hoge landprijzen, hoge distributiekosten en een nog sterke regulering. De Bank van Korea schat zelfs dat de binnenlandse financieringskosten voor Koreaanse bedrijven drie keer zo hoog liggen als in Europa of de VS. Al wordt daar natuurlijk niet bijgezegd dat de chaebol-leden tot nu toe op vrij genereuze voorwaarden kunnen lenen bij medeleden van de chaebol waaronder ook financiële instellingen. Daar komt nog bij dat de chaebols vanuit hun oligopolistische posities op de Koreaanse thuismarkten pittige prijsniveaus kunnen handhaven. Zoals de voornoemde diplomaat het uitdrukte: “Feitelijk financieren de Koreaanse burgers de internationale expansie van de chaebols.”

Door de - nu mede door het Oeso-lidmaatschap gestimuleerde - economische liberalisering in Korea zullen deze voordelen echter geleidelijk verdwijnen. Ook dat verklaart de extraverte houding van de chaebols. De Zuidkoreaanse overheid toont dan ook geen enkele aanvechting om hun buitenlandse trek aan banden te leggen. “Onze ondernemingen kunnen gaan en staan waar zij willen”, zegt woordvoerder Shim Sung Dal van het ministerie van financiën in Seoul. “Wel dienen de binnenlandse problemen waar mogelijk te worden verzacht door verbeterde infrastructuur, flexibilisering van de arbeidsmarkt, prijsstabiliteit en deregulering.”

Shim toont een statistiek waaruit het succes van dat beleid al zou blijken. Over de eerste negen maanden van dit jaar groeiden de buitenlandse investeringen in Korea inderdaad met 32,1 procent tot 1,85 miljard dollar. Helaas voor hem beloopt de kapitaaluitstroom over dezelfde periode bijna het drievoudige.

“Het is natuurlijk vervelend om te zeggen dat we naar het buitenland zijn gegaan om daar zaken te doen die we net zo goed hier in Korea hadden kunnen doen”, zegt Samsungmanager Tae-ho Kim. “Feit is dat we in het buitenland meestal in zaken zitten waarin we helemaal niet meer zouden zitten als we niet naar het buitenland waren gegaan.”